Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Besides there are some of opinion, that
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of Paul to the Romans Chapter 7
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Know ye not, brethren, (for I [Note 1] speak to them that know the law,) how that the law hath dominion over a man as long as he liveth?
2 For the woman which hath an husband is bound by the law to her husband so long as he liveth; but if the husband be dead, she is loosed from the law of her husband.
3 So then if, while her husband liveth, she be married to another man, she shall be called an adulteress: but if her husband be dead, she is free from that law; so that she is no adulteress, though she be married to another man.
4 Wherefore, my brethren, ye also are become dead to the law by the body of Christ; that ye should be married to another, even to him who is raised from the dead, that we should bring forth fruit unto God.
5 For when we were in the flesh, the motions of sins, which were by the law, did work in our members to bring forth fruit unto death.
6 But now we are delivered from the law, that being dead wherein we were held; that we should serve in newness of spirit, and not in the oldness of the letter.
7 What shall we say then? Is the law sin? God forbid. Nay, I had not known sin, but by the law: for I had not known lust, except the law had said, Thou shalt not covet.
8 But sin, taking occasion by the commandment, wrought in me all manner of concupiscence. For without the law sin was dead.
9 For I was alive without the law once: but when the commandment came, sin revived, and I died.
10 And the commandment, which was ordained to life, I found to be unto death.
11 For sin, taking occasion by the commandment, deceived me, and by it slew me.
12 Wherefore the law is holy, and the commandment holy, and just, and good.
13 Was then that which is good made death unto me? God forbid. But sin, that it might appear sin, working death in me by that which is good; that sin by the commandment might become exceeding sinful.
14 For we know that the law is spiritual: but I am carnal, sold under sin.
15 For that which I do I allow not: for what I would, that do I not; but what I hate, that do I.
16 If then I do that which I would not, I consent unto the law that it is good.
17 Now then it is no more I that do it, but sin that dwelleth in me.
18 For I know that in me (that is, in my flesh,) dwelleth no good thing: for to will is present with me; but how to perform that which is good I find not.
19 For the good that I would I do not: but the evil which I would not, that I do.
20 Now if I do that I would not, it is no more I that do it, but sin that dwelleth in me.
21 I find then a law, that, when I would do good, evil is present with me.
22 For I delight in the law of God after the inward man:
23 But I see another law in my members, warring against the law of my mind, and bringing me into captivity to the law of sin which is in my members.
24 O wretched man that I am! who shall deliver me from the body of this death?
25 I thank God through Jesus Christ our Lord. So then with the mind I myself serve the law of God; but with the flesh the law of sin.

Note 1: I = Paul

Romeinen 7

1Weet gij niet, broeders! (want ik spreek tot degenen, die de wet verstaan1)) dat de wet heerst over den mens,2) zo langen tijd als hij leeft?3)
2Want een vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans.
3Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt,4) terwijl de man leeft, zo zal zij een overspeelster genaamd worden;5) maar indien de man gestorven is, zo is zij vrij van de wet, alzo dat zij geen overspeelster is, als zij eens anderen mans wordt.
4Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood6) door het lichaam van Christus,7) opdat gij zoudt worden eens Anderen,8) namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is,9) opdat wij Gode10) vruchten dragen zouden.
5Want toen wij in het vlees waren,11) wrochten de bewegingen der zonden, die door de wet zijn,12) in onze leden,13) om den dood vruchten te dragen.
6Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet,14) overmits wij dien gestorven zijn,15) onder welken wij gehouden waren;16) alzo dat wij dienen17) in nieuwigheid des geestes,18) en niet in de oudheid der letter.19)
7Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde?20) Dat zij verre. Ja, ik kende de zonde niet21) dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten22) zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren.
8Maar de zonde,23) oorzaak genomen hebbende24) door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht;25) want zonder de wet is de zonde26) dood.27)
9En zonder de wet, zo leefde ik28) eertijds;29) maar als het gebod gekomen is,30) zo is de zonde weder levend geworden,31) doch ik ben gestorven.32)
10En het gebod, dat ten leven was,33) hetzelve is mij ten dood bevonden.34)
11Want de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid,35) en door hetzelve gedood.
12Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed.
13Is dan het goede mij de dood geworden?36) Dat zij verre. Maar de zonde is mij de dood geworden; opdat zij zou openbaar worden zonde te zijn; werkende mij door het goede den dood; opdat de zonde boven mate werd zondigende door het gebod.37)
14Want wij weten,38) dat de wet geestelijk is,39) maar ik ben vleselijk,40) verkocht onder de zonde.41)
15Want hetgeen ik doe,42) dat ken ik niet;43) want hetgeen ik wil,44) dat doe ik niet,45) maar hetgeen ik haat,46) dat doe ik.
16En indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo stem ik de wet toe,47) dat zij goed is.
17Ik dan doe datzelve nu niet meer,48) maar de zonde, die in mij woont.49)
18Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij,50) maar het goede te doen,51) dat vind ik niet.
19Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.
20Indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woont.
21Zo vind ik dan52) deze wet in mij:53) als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt.54)
22Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens;55)
23Maar ik zie een andere wet in mijn leden,56) welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds,57) en mij gevangen neemt onder de wet der zonde,58) die in mijn leden is.
24Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?59)
25Ik dank God,60) door Jezus Christus, onzen Heere.
26Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde.