Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: He had discovered him to be fond of chan
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Revelations Chapter 4
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 After this I [Note 1] looked, and, behold, a door was opened in heaven: and the first voice which I heard was as it were of a trumpet talking with me; which said, Come up hither, and I will shew thee things which must be hereafter.
2 And immediately I was in the spirit: and, behold, a throne was set in heaven, and one sat on the throne.
3 And he that sat was to look upon like a jasper and a sardine stone and there was a rainbow round about the throne, in sight like unto an emerald.
4 And round about the throne were four and twenty seats: and upon the seats I saw four and twenty elders sitting, clothed in white raiment; and they had on their heads crowns of gold.
5 And out of the throne proceeded lightnings and thunderings and voices: and there were seven lamps of fire burning before the throne, which are the seven Spirits of God.
6 And before the throne there was a sea of glass like unto crystal: and in the midst of the throne, and round about the throne, were four beasts full of eyes before and behind.
7 And the first beast was like a lion, and the second beast like a calf, and the third beast had a face as a man, and the fourth beast was like a flying eagle.
8 And the four beasts had each of them six wings about him; and they were full of eyes within: and they rest not day and night, saying, Holy, holy, holy, LORD God Almighty, which was, and is, and is to come.
9 And when those beasts give glory and honour and thanks to him that sat on the throne, who liveth for ever and ever,
10 The four and twenty elders fall down before him that sat on the throne, and worship him that liveth for ever and ever, and cast their crowns before the throne, saying,
11 Thou art worthy, O Lord, to receive glory and honour and power: for thou hast created all things, and for thy pleasure they are and were created.

Note 1: I = John

Openbaring 4

1Na dezen3) zag ik,1) en ziet, een deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had,2) als van een bazuin, met mij sprekende, zeide: Kom hier op, en Ik zal u tonen, hetgeen na dezen geschieden moet.4)
2En terstond werd ik in den geest;5) en ziet, er was een troon gezet in den hemel,6) en er zat Een7) op den troon.8)
3En Die daarop zat, was in het aanzien den steen Jaspis en Sardius gelijk;9) en een regenboog was rondom den troon,10) in het aanzien der steen Smaragd gelijk.
4En rondom den troon waren vier en twintig tronen; en op de tronen zag ik de11) vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte klederen,12) en zij hadden gouden kronen op hun hoofden.13)
5En van den troon gingen uit bliksemen, en donderslagen,14) en stemmen; en zeven vurige lampen waren15) brandende voor den troon, welke zijn de zeven geesten Gods.16)
6En voor den troon was een glazen zee, kristal gelijk.17) En in het midden des troons, en rondom den troon, vier dieren, zijnde vol ogen18) van voren en van achteren.
7En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht als een mens, en het vierde dier was een vliegenden arend gelijk.
8En de vier dieren hadden elkeen voor zichzelven zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol ogen; en hebben geen rust19) dag en nacht, zeggende:20) Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was, en Die is, en Die komen zal.
9En wanneer de dieren heerlijkheid, en eer,21) en dankzegging gaven Hem, Die op den troon zat, Die in alle eeuwigheid leeft;22)
10Zo vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem, Die op den troon zat, en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hun kronen voor den troon, zeggende:
11Gij Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid,24) en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij,25) en zijn zij geschapen.