Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: When he drank his destruction at Babylon
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Gospel of Mark Chapter 13.0
Next chapter
Return to index
Previous chapter
Second lecture on the last judgement

1 And as he went out of the temple, one of his disciples saith unto him, Master, see what manner of stones and what buildings are here!
2 And Jesus answering said unto him, Seest thou these great buildings? there shall not be left one stone upon another, that shall not be thrown down.
3 And as he sat upon the mount of Olives over against the temple, Peter and James and John and Andrew asked him privately,
4 Tell us, when shall these things be? and what shall be the sign when all these things shall be fulfilled?
5 And Jesus answering them began to say, Take heed lest any man deceive you:
6 For many shall come in my name, saying, I am Christ; and shall deceive many.
7 And when ye shall hear of wars and rumours of wars, be ye not troubled: for such things must needs be; but the end shall not be yet.
8 For nation shall rise against nation, and kingdom against kingdom: and there shall be earthquakes in divers places, and there shall be famines and troubles: these are the beginnings of sorrows.
9 But take heed to yourselves: for they shall deliver you up to councils; and in the synagogues ye shall be beaten: and ye shall be brought before rulers and kings for my sake, for a testimony against them.
10 And the gospel must first be published among all nations.
11 But when they shall lead you, and deliver you up, take no thought beforehand what ye shall speak, neither do ye premeditate: but whatsoever shall be given you in that hour, that speak ye: for it is not ye that speak, but the Holy Ghost.
12 Now the brother shall betray the brother to death, and the father the son; and children shall rise up against their parents, and shall cause them to be put to death.
13 And ye shall be hated of all men for my name's sake: but he that shall endure unto the end, the same shall be saved.
14 But when ye shall see the abomination of desolation, spoken of by Daniel the prophet, standing where it ought not, (let him that readeth understand,) then let them that be in Judaea flee to the mountains:
15 And let him that is on the housetop not go down into the house, neither enter therein, to take any thing out of his house:
16 And let him that is in the field not turn back again for to take up his garment.
17 But woe to them that are with child, and to them that give suck in those days!
18 And pray ye that your flight be not in the winter.
19 For in those days shall be affliction, such as was not from the beginning of the creation which God created unto this time, neither shall be.
20 And except that the Lord had shortened those days, no flesh should be saved: but for the elect's sake, whom he hath chosen, he hath shortened the days.
21 And then if any man shall say to you, Lo, here is Christ; or, lo, he is there; believe him not:
22 For false Christs and false prophets shall rise, and shall shew signs and wonders, to seduce, if it were possible, even the elect.
23 But take ye heed: behold, I have foretold you all things.
24 But in those days, after that tribulation, the sun shall be darkened, and the moon shall not give her light,
25 And the stars of heaven shall fall, and the powers that are in heaven shall be shaken.
26 And then shall they see the Son of Man coming in the clouds with great power and glory.
27 And then shall he send his angels, and shall gather together his elect from the four winds, from the uttermost part of the earth to the uttermost part of heaven.
28 Now learn a parable of the fig tree When her branch is yet tender, and putteth forth leaves, ye know that summer is near:
29 So ye in like manner, when ye shall see these things come to pass, know that it is nigh, even at the doors.
30 Verily I say unto you, that this generation shall not pass, till all these things be done.
31 Heaven and earth shall pass away: but my words shall not pass away.
32 But of that day and that hour knoweth no man, no, not the angels which are in heaven, neither the Son, but the Father.
33 Take ye heed, watch and pray: for ye know not when the time is.
34 For the Son of Man is as a man taking a far journey, who left his house, and gave authority to his servants, and to every man his work, and commanded the porter to watch.
35 Watch ye therefore: for ye know not when the master of the house cometh, at even, or at midnight, or at the cockcrowing, or in the morning:
36 Lest coming suddenly he find you sleeping.
37 And what I say unto you I say unto all, Watch.

Event: Second lecture on the last judgement

Markus 13

1En als Hij uit den tempel ging,1) zeide een van Zijn discipelen tot Hem: Meester, zie, hoedanige stenen,2) en hoedanige gebouwen!
2En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ziet gij deze grote gebouwen? Er zal niet een steen op den anderen3) steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.4)
3En als Hij gezeten was op den Olijfberg, tegen de tempel over, vraagden Hem Petrus, en Jakobus, en Johannes, en Andreas, alleen:5)
4Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn?6) En welk is het teken, wanneer deze dingen alle voleindigd zullen worden?
5En Jezus, hun antwoordende, begon te zeggen: Ziet toe, dat u niemand verleide.
6Want velen zullen komen onder Mijn Naam,7) zeggende: Ik ben de Christus; en zullen velen verleiden.
7En wanneer gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen, zo wordt niet verschrikt; want dit moet geschieden; maar nog is het einde niet.
8Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen aardbevingen zijn in verscheidene plaatsen,8) en er zullen hongersnoden wezen, en beroerten. Deze dingen zijn maar beginselen der smarten.
9Maar ziet gij voor uzelven toe;9) want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen,10) en in de synagogen; gij zult geslagen worden, en voor stadhouders en koningen zult gij gesteld worden, om Mijnentwil, hun tot een getuigenis.
10En het Evangelie moet eerst gepredikt worden onder al de volken.
11Doch wanneer zij u leiden zullen, om u over te leveren, zo zijt te voren niet bezorgd,11) wat gij spreken zult, en bedenkt het niet; maar zo wat u in die ure gegeven zal worden, spreekt dat; want gij zijt het niet, die spreekt, maar de Heilige Geest.12)
12En de ene broeder zal den anderen overleveren tot den dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen doden.13)
13En gij zult gehaat worden van allen, om Mijns Naams wil;14) maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
14Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting,15) waarvan door den profeet Daniel gesproken is, staande waar het niet behoort,16) (die het leest, die merke daarop!) alsdan, die in Judea zijn, dat zij vlieden op de bergen.
15En die op het dak is,17) kome niet af in het huis, en ga niet in, om iets uit zijn huis weg te nemen.
16En die op den akker is,18) kere niet weder terug, om zijn kleed te nemen.19)
17Maar wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen!
18Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters.
19Want die dagen zullen zulke verdrukking zijn,20) welker gelijke niet geweest is van het begin der schepselen,21) die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook niet zijn zal.
20En indien de Heere de dagen niet verkort had,22) geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij de dagen verkort.
21En alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus; of ziet, Hij is daar; gelooft het niet.
22Want er zullen valse christussen, en valse profeten opstaan, en zullen tekenen en wonderen doen,23) om te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen.
23Maar gijlieden ziet toe; ziet, Ik heb u alles voorzegd!
24Maar in die dagen, na die verdrukking,24) zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven.
25En de sterren des hemels zulen daaruit vallen, en de krachten, die in de hemelen zijn, zullen bewogen worden.25)
26En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien, komende in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid.
27En alsdan zal Hij Zijn engelen uitzenden, en zal Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden,26) van het uiterste der aarde, tot het uiterste des hemels.
28En leert van den vijgeboom deze gelijkenis; wanneer nu zijn tak teder wordt,27) en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.
29Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het nabij,28) voor de deur is.
30Voorwaar, Ik zeg u, dat dit geslacht29) niet zal voorbijgaan,30) totdat al deze dingen zullen geschied zijn.
31De hemel en de aarde zullen voorbijgaan;31) maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.32)
32Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in de hemel zijn, noch de Zoon,33) dan de Vader.
33Ziet toe, waakt en bidt; want gij weet niet, wanneer de tijd is.
34Gelijk een mens,34) buitenslands reizende, zijn huis verliet, en zijn dienstknechten macht gaf,35) en elk zijn werk, en den deurwachter gebood, dat hij zou waken;
35Zo waakt dan (want gij weet niet, wanneer de heer des huizes komen zal, des avonds laat, of ter middernacht, of met het hanengekraai, of in den morgenstond);
36Opdat hij niet onvoorziens kome, en u slapende vinde.
37En hetgeen Ik u zeg,36) dat zeg Ik allen: Waakt.