Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Poppaea died from a casual outburst of r
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Gospel of Luke Chapter 5.0
Next chapter
Return to index
Previous chapter
The miraculous fishing

1 And it came to pass, that, as the people pressed upon him to hear the word of God, he stood by the lake of Gennesaret
2 And saw two ships standing by the lake: but the fishermen were gone out of them, and were washing their nets.
3 And he entered into one of the ships, which was Simon's, and prayed him that he would thrust out a little from the land. And he sat down, and taught the people out of the ship.
4 Now when he had left speaking, he said unto Simon, Launch out into the deep, and let down your nets for a draught.
5 And Simon answering said unto him, Master, we have toiled all the night, and have taken nothing: nevertheless at thy word I will let down the net.
6 And when they had this done, they inclosed a great multitude of fishes: and their net brake.
7 And they beckoned unto their partners, which were in the other ship, that they should come and help them. And they came, and filled both the ships, so that they began to sink.
8 When Simon Peter saw it, he fell down at Jesus' knees, saying, Depart from me; for I am a sinful man, O Lord.
9 For he was astonished, and all that were with him, at the draught of the fishes which they had taken:
10 And so was also James, and John, the sons of Zebedee, which were partners with Simon. And Jesus said unto Simon, Fear not; from henceforth thou shalt catch men.
11 And when they had brought their ships to land, they forsook all, and followed him.

The healing of a leper

12 And it came to pass, when he was in a certain city, behold a man full of leprosy: who seeing Jesus fell on his face, and besought him, saying, Lord, if thou wilt, thou canst make me clean.
13 And he put forth his hand, and touched him, saying, I will: be thou clean. And immediately the leprosy departed from him.
14 And he charged him to tell no man: but go, and shew thyself to the priest, and offer for thy cleansing, according as Moses commanded, for a testimony unto them.
15 But so much the more went there a fame abroad of him: and great multitudes came together to hear, and to be healed by him of their infirmities.
16 And he withdrew himself into the wilderness, and prayed.

The healing of a paralytic

17 And it came to pass on a certain day, as he was teaching, that there were Pharisees and doctors of the law sitting by, which were come out of every town of Galilee, and Judaea, and Jerusalem: and the power of the Lord was present to heal them.
18 And, behold, men brought in a bed a man which was taken with a palsy: and they sought means to bring him in, and to lay him before him.
19 And when they could not find by what way they might bring him in because of the multitude, they went upon the housetop, and let him down through the tiling with his couch into the midst before Jesus.
20 And when he saw their faith, he said unto him, Man, thy sins are forgiven thee.
21 And the scribes and the Pharisees began to reason, saying, Who is this which speaketh blasphemies? Who can forgive sins, but God alone?
22 But when Jesus perceived their thoughts, he answering said unto them, What reason ye in your hearts?
23 Whether is easier, to say, Thy sins be forgiven thee; or to say, Rise up and walk?
24 But that ye may know that the Son of Man hath power upon earth to forgive sins, (he said unto the sick of the palsy,) I say unto thee, Arise, and take up thy couch, and go into thine house.
25 And immediately he rose up before them, and took up that whereon he lay, and departed to his own house, glorifying God.
26 And they were all amazed, and they glorified God, and were filled with fear, saying, We have seen strange things to day.

The calling of Levi

27 And after these things he went forth, and saw a publican, named Levi, sitting at the receipt of custom: and he said unto him, Follow me.
28 And he left all, rose up, and followed him.
29 And Levi made him a great feast in his own house: and there was a great company of publicans and of others that sat down with them.
30 But their scribes and Pharisees murmured against his disciples, saying, Why do ye eat and drink with publicans and sinners?
31 And Jesus answering said unto them, They that are whole need not a physician; but they that are sick.
32 I came not to call the righteous, but sinners to repentance.

About fasting

33 And they said unto him, Why do the disciples of John fast often, and make prayers, and likewise the disciples of the Pharisees; but thine eat and drink?
34 And he said unto them, Can ye make the children of the bridechamber fast, while the bridegroom is with them?
35 But the days will come, when the bridegroom shall be taken away from them, and then shall they fast in those days.
36 And he spake also a parable unto them; No man putteth a piece of a new garment upon an old; if otherwise, then both the new maketh a rent, and the piece that was taken out of the new agreeth not with the old.
37 And no man putteth new wine into old bottles; else the new wine will burst the bottles, and be spilled, and the bottles shall perish.
38 But new wine must be put into new bottles; and both are preserved.
39 No man also having drunk old wine straightway desireth new: for he saith, The old is better.

Events: The miraculous fishing, The healing of a leper, The healing of a paralytic, The calling of Levi, About fasting

Lukas 5

1En het geschiedde, als de schare op Hem aandrong,1) om het Woord Gods te horen, dat Hij stond bij het meer Gennesareth.2)
2En Hij zag twee schepen aan den oever van het meer liggende,3) en de vissers waren daaruit gegaan, en spoelden de netten.
3En Hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en bad hem,4) dat hij een weinig van het land afstak; en nederzittende, leerde Hij de scharen uit het schip.
4En als Hij afliet van spreken, zeide Hij tot Simon: Steek af naar de diepte, en werp uw netten uit om te vangen.5)
5En Simon antwoordde en zeide tot Hem: Meester,6) wij hebben den gehelen nacht over gearbeid, en niet gevangen; doch op Uw woord zal ik het net uitwerpen.7)
6En als zij dat gedaan hadden, besloten zij een grote menigte vissen, en hun net scheurde.
7En zij wenkten hun medegenoten, die in het andere schip waren,8) dat zij hen zouden komen helpen.9) En zij kwamen, en vulden beide de schepen, zodat zij bijna zonken.
8En Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan de knieen van Jezus,10) zeggende: Heere! ga uit van mij;11) want ik ben een zondig mens.12)
9Want verbaasdheid had hem bevangen, en allen, die met hem waren, over de vangst der vissen, die zij gevangen hadden;
10En desgelijks ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, die medegenoten van Simon waren. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult gij mensen vangen.13)
11En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden Hem.
12En het geschiedde, als Hij in een dier steden was,14) ziet, er was een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende: Heere! zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.
13En Hij, de hand uitstrekkende, raakte hem aan; en zeide: Ik wil, word gereinigd! En terstond ging de melaatsheid van hem.
14En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, zeide Hij, vertoon uzelven den priester,15) en offer voor uw reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.
15Maar het gerucht van Hem ging te meer voort;16) en vele scharen kwamen samen om Hem te horen, en door Hem genezen te worden van hun krankheden.
16Maar Hij vertrok in de woestijnen,17) en bad aldaar.
17En het geschiedde in een dier dagen, dat Hij leerde, en er zaten Farizeen en leraars der wet, die van alle vlekken van Galilea, en Judea, en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht des Heeren was er om hen te genezen.18)
18En ziet, enige mannen brachten op een bed een mens, die geraakt was,19) en zochten hem in te brengen, en voor Hem te leggen.
19En niet vindende, waardoor zij hem inbrengen mochten, overmits de schare, zo klommen zij op het dak,20) en lieten hem door de tichelen neder met het beddeken,21) in het midden, voor Jezus.
20En Hij ziende22) hun geloof,23) zeide tot hem: Mens, uw zonden zijn u vergeven.
21En de Schriftgeleerden en de Farizeen begonnen te overdenken, zeggende: Wie is Deze, Die gods lastering spreekt? Wie kan de zonden vergeven, dan God alleen?
22Maar Jezus, hun overdenkingen bekennende, antwoordde en zeide tot hen: Wat overdenkt gij in uw harten?
23Wat is lichter te zeggen:24) Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel?
24Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte): Ik zeg u, sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis.
25En hij, terstond voor Hem opstaande, en opgenomen hebbende hetgeen, daar hij op gelegen had,25) ging heen naar zijn huis, God verheerlijkende.26)
26En ontzetting heeft hen allen bevangen,27) en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vreze, zeggende: Wij hebben heden ongelofelijke dingen gezien.28)
27En na dezen ging Hij uit,29) en zag een tollenaar, met name Levi,30) zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij.
28En hij, alles verlatende, stond op en volgde Hem.
29En Levi richtte Hem een groten maaltijd aan, in zijn huis; en er was een grote schare van tollenaren, en van anderen, die met hen aanzaten.
30En hun Schriftgeleerden en de Farizeen murmureerden31) tegen Zijn discipelen, zeggende: Waarom eet en drinkt gij met tollenaren en zondaren?
31En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn.32)
32Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering.
33En zij zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes33) dikmaals, en doen gebeden, desgelijks ook de discipelen der Farizeen, maar de Uwe eten en drinken?34)
34Doch Hij zeide tot hen: Kunt gij de bruiloftskinderen,35) terwijl de Bruidegom bij hen is, doen vasten?
35Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, dan zullen zij vasten in die dagen.
36En Hij zeide ook tot hen een gelijkenis: Niemand zet een lap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders zo scheurt ook dat nieuwe het oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overeen.
37En niemand doet nieuwen wijn in oude leder zakken; anders zo zal de nieuwe wijn de leder zakken doen bersten, en de wijn zal uitgestort worden, en de leder zakken zullen verderven.
38Maar nieuwen wijn moet men in nieuwe leder zakken doen, en zij worden beide te zamen behouden.
39En niemand, die ouden drinkt, begeert terstond nieuwen; want hij zegt: De oude is beter.36)