Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: That two men, who for shamelessness, ind
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of James Chapter 5
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Go to now, ye rich men, weep and howl for your miseries that shall come upon you.
2 Your riches are corrupted, and your garments are motheaten.
3 Your gold and silver is cankered; and the rust of them shall be a witness against you, and shall eat your flesh as it were fire. Ye have heaped treasure together for the last days.
4 Behold, the hire of the labourers who have reaped down your fields, which is of you kept back by fraud, crieth: and the cries of them which have reaped are entered into the ears of the Lord of Sabaoth.
5 Ye have lived in pleasure on the earth, and been wanton; ye have nourished your hearts, as in a day of slaughter.
6 Ye have condemned and killed the just; and he doth not resist you.
7 Be patient therefore, brethren, unto the coming of the Lord. Behold, the husbandman waiteth for the precious fruit of the earth, and hath long patience for it, until he receive the early and latter rain.
8 Be ye also patient; stablish your hearts: for the coming of the Lord draweth nigh.
9 Grudge not one against another, brethren, lest ye be condemned: behold, the judge standeth before the door.
10 Take, my brethren, the prophets, who have spoken in the name of the Lord, for an example of suffering affliction, and of patience.
11 Behold, we count them happy which endure. Ye have heard of the patience of Job , and have seen the end of the Lord; that the Lord is very pitiful, and of tender mercy.
12 But above all things, my brethren, swear not, neither by heaven, neither by the earth, neither by any other oath: but let your yea be yea; and your nay, nay; lest ye fall into condemnation.
13 Is any among you afflicted? let him pray. Is any merry? let him sing psalms.
14 Is any sick among you? let him call for the elders of the Church; and let them pray over him, anointing him with oil in the name of the Lord:
15 And the prayer of faith shall save the sick, and the Lord shall raise him up; and if he have committed sins, they shall be forgiven him.
16 Confess your faults one to another, and pray one for another, that ye may be healed. The effectual fervent prayer of a righteous man availeth much.
17 Elias was a man subject to like passions as we are, and he prayed earnestly that it might not rain: and it rained not on the earth by the space of three years and six months.
18 And he prayed again, and the heaven gave rain, and the earth brought forth her fruit.
19 Brethren, if any of you do err from the truth, and one convert him;
20 Let him know, that he which converteth the sinner from the error of his way shall save a soul from death, and shall hide a multitude of sins.

Jakobus 5

1Welaan nu, gij rijken,1) weent en huilt over uw ellendigheden, die over u komen.2)
2Uw rijkdom3) is verrot,4) en uw klederen5) zijn van de motten gegeten geworden;
3Uw goud en zilver6) is verroest;7) en hun roest zal u zijn8) tot een getuigenis,9) en zal uw vlees10) als een vuur verteren; gij hebt schatten vergaderd11) in de laatste dagen.12)
4Ziet, het loon der werklieden, die uw landen gemaaid13) hebben, welke van u verkort is, roept; en14) het geschrei dergenen,15) die geoogst hebben, is gekomen tot in de oren van16) den Heere Sebaoth.17)
5Gij hebt lekkerlijk geleefd18) op de aarde, en wellusten gevolgd;19) gij hebt uw harten gevoed20) als in een dag der slachting.21)
6Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood den rechtvaardige;22) en hij wederstaat u niet.23)
7Zo zijt dan lankmoedig,24) broeders, tot de toekomst25) des Heeren. Ziet, de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over26) dezelve, totdat het den vroegen en27) spaden regen28) zal hebben ontvangen.
8Weest gij ook lankmoedig,29) versterkt uw harten;30) want de toekomst des Heeren31) genaakt.32)
9Zucht niet tegen33) elkander, broeders, opdat gij niet veroordeeld wordt; ziet, de Rechter34) staat voor de deur.35)
10Mijn broeders, neemt tot een voorbeeld des lijdens,36) en der lankmoedigheid de profeten, die37) in den Naam des38) Heeren gesproken hebben.
11Ziet, wij houden hen gelukzalig, die verdragen; gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord, en gij hebt het einde des Heeren39) gezien, dat de Heere zeer barmhartig40) is en een Ontfermer.
12Doch voor alle dingen, mijn broeders, zweert niet,41) noch bij den hemel,42) noch bij de aarde, noch enigen anderen43) eed; maar uw ja, zij ja,44) en het neen, neen; opdat gij in geen oordeel valt.45)
13Is iemand onder u in lijden?46) Dat hij bidde. Is iemand goedsmoeds? Dat hij psalmzinge.
14Is iemand krank onder u?47) Dat hij tot zich roepe de ouderlingen48) der Gemeente, en dat zij over hem49) bidden, hem50) zalvende met olie51) in den Naam des Heeren.52)
15En het gebed des geloofs53) zal den zieke behouden,54) en de Heere zal hem55) oprichten, en zo56) hij zonden gedaan zal57) hebben, het zal hem vergeven worden.58)
16Belijdt elkander de59) misdaden, en bidt voor elkander,60) opdat gij gezond wordt;61) een krachtig gebed62) des rechtvaardigen63) vermag veel.
17Elias was een mens van gelijke bewegingen als wij;64) en hij bad een gebed,65) dat het niet zou regenen; en het regende niet op de aarde in66) drie jaren en zes maanden.
18En hij bad wederom, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht haar vrucht voort.
19Broeders, indien iemand onder u van de waarheid67) is afgedwaald, en hem iemand bekeert,68)
20Die wete, dat degene, die een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, een ziel69) van den dood zal70) behouden, en71) menigte der zonden zal72) bedekken.73)