Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: He, incited by lust of sovereignty, form
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of James Chapter 4
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 From whence come wars and fightings among you? come they not hence, even of your lusts that war in your members?
2 Ye lust, and have not: ye kill, and desire to have, and cannot obtain: ye fight and war, yet ye have not, because ye ask not.
3 Ye ask, and receive not, because ye ask amiss, that ye may consume it upon your lusts.
4 Ye adulterers and adulteresses, know ye not that the friendship of the world is enmity with God? whosoever therefore will be a friend of the world is the enemy of God.
5 Do ye think that the scripture saith in vain, The spirit that dwelleth in us lusteth to envy?
6 But he giveth more grace. Wherefore he saith, God resisteth the proud, but giveth grace unto the humble.
7 Submit yourselves therefore to God. Resist the devil, and he will flee from you.
8 Draw nigh to God, and he will draw nigh to you. Cleanse your hands, ye sinners; and purify your hearts, ye double minded.
9 Be afflicted, and mourn, and weep: let your laughter be turned to mourning, and your joy to heaviness.
10 Humble yourselves in the sight of the Lord, and he shall lift you up.
11 Speak not evil one of another, brethren. He that speaketh evil of his brother, and judgeth his brother, speaketh evil of the law, and judgeth the law: but if thou judge the law, thou art not a doer of the law, but a judge.
12 There is one lawgiver, who is able to save and to destroy: who art thou that judgest another?
13 Go to now, ye that say, To day or to morrow we will go into such a city, and continue there a year, and buy and sell, and get gain:
14 Whereas ye know not what shall be on the morrow. For what is your life? It is even a vapour, that appeareth for a little time, and then vanisheth away.
15 For that ye ought to say, If the Lord will, we shall live, and do this, or that.
16 But now ye rejoice in your boastings: all such rejoicing is evil.
17 Therefore to him that knoweth to do good, and doeth it not, to him it is sin.

Jakobus 4

1Van waar komen krijgen en vechterijen1) onder u? Komen zij niet hiervan, namelijk uit uw wellusten,2) die in uw leden3) strijd voeren?4)
2Gij begeert,5) en hebt niet; gij6) benijdt en7) ijvert naar dingen,8) en kunt ze niet verkrijgen;9) gij vecht en voert krijg,10) doch gij hebt niet,11) omdat gij niet bidt.12)
3Gij bidt, en gij13) ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt,14) opdat gij het15) in uw wellusten doorbrengen zoudt.
4Overspelers16) en overspeleressen, weet gij niet,17) dat de vriendschap der wereld18) een vijandschap Gods is?19) Zo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld.
5Of meent gij,20) dat de Schrift21) tevergeefs zegt:22) De Geest,23) Die in ons woont, heeft Die lust tot nijdigheid?24)
6Ja, Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.
7Zo onderwerpt u dan25) Gode; wederstaat den duivel, en26) hij zal van u vlieden.27)
8Naakt tot God,28) en Hij zal tot u naken. Reinigt29) de handen, gij zondaars,30) en zuivert de harten, gij dubbelhartigen!31)
9Gedraagt u als32) ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uw blijdschap in bedroefdheid.33)
10Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen.
11Broeders, spreekt niet kwalijk van34) elkander. Die van zijn broeder kwalijk spreekt en zijn broeder oordeelt, die spreekt35) kwalijk van de wet, en oordeelt de wet. Indien gij nu de wet oordeelt, zo zijt gij36) geen dader der wet, maar een rechter.37)
12Er is een enig Wetgever,38) Die behouden kan en verderven. Doch wie zijt gij, die een anderen oordeelt?
13Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden39) of morgen naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en40) koopmanschap drijven,41) en winst doen.
14Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven?42) Want het is een damp, die43) voor een weinig tijds gezien wordt,44) en daarna verdwijnt.
15In plaats dat gij zoudt zeggen:45) Indien de Heere wil, en wij leven zullen,46) zo zullen wij dit of dat doen.
16Maar nu roemt gij in47) uw hoogmoed; alle zodanige roem is boos.
17Wie dan weet goed te doen,48) en niet doet, dien is het zonde.49)