Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: There was a firm persuasion, that in the
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of Paul to the Galathians Chapter 4
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Now I [Note 1] say, That the heir, as long as he is a child, differeth nothing from a servant, though he be lord of all;
2 But is under tutors and governors until the time appointed of the father.
3 Even so we, when we were children, were in bondage under the elements of the world:
4 But when the fulness of the time was come, God sent forth his Son, made of a woman, made under the law,
5 To redeem them that were under the law, that we might receive the adoption of sons.
6 And because ye are sons, God hath sent forth the Spirit of his Son into your hearts, crying, Abba, Father.
7 Wherefore thou art no more a servant, but a son; and if a son, then an heir of God through Christ.
8 Howbeit then, when ye knew not God, ye did service unto them which by nature are no gods.
9 But now, after that ye have known God, or rather are known of God, how turn ye again to the weak and beggarly elements, whereunto ye desire again to be in bondage?
10 Ye observe days, and months, and times, and years.
11 I am afraid of you, lest I have bestowed upon you labour in vain.
12 Brethren, I beseech you, be as I am; for I am as ye are: ye have not injured me at all.
13 Ye know how through infirmity of the flesh I preached the gospel unto you at the first.
14 And my temptation which was in my flesh ye despised not, nor rejected; but received me as an angel of God, even as Christ Jesus.
15 Where is then the blessedness ye spake of? for I bear you record, that, if it had been possible, ye would have plucked out your own eyes, and have given them to me.
16 Am I therefore become your enemy, because I tell you the truth?
17 They zealously affect you, but not well; yea, they would exclude you, that ye might affect them.
18 But it is good to be zealously affected always in a good thing, and not only when I am present with you.
19 My little children, of whom I travail in birth again until Christ be formed in you,
20 I desire to be present with you now, and to change my voice; for I stand in doubt of you.
21 Tell me, ye that desire to be under the law, do ye not hear the law?
22 For it is written, that Abraham had two sons, the one [Note 2] by a bondmaid, the other by a freewoman [Note 3].
23 But he who was of the bondwoman was born after the flesh; but he of the freewoman was by promise.
24 Which things are an allegory: for these are the two covenants; the one from the mount Sinai, which gendereth to bondage, which is Agar.
25 For this Agar is mount Sinai in Arabia, and answereth to Jerusalem which now is, and is in bondage with her children.
26 But Jerusalem which is above is free, which is the mother of us all.
27 For it is written, Rejoice, thou barren that bearest not; break forth and cry, thou that travailest not: for the desolate hath many more children than she which hath an husband.
28 Now we, brethren, as Isaac was, are the children of promise.
29 But as then he that was born after the flesh persecuted him that was born after the Spirit, even so it is now.
30 Nevertheless what saith the scripture? Cast out the bondwoman and her son: for the son of the bondwoman shall not be heir with the son of the freewoman.
31 So then, brethren, we are not children of the bondwoman, but of the free.

Note 1: I = Paul
Note 2: one = Ismael
Note 3: freewoman = Sarah

Galaten 4

1Doch ik zeg,1) zo langen tijd als de erfgenaam een kind is,2) zo verschilt hij niets van een3) dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles;4)
2Maar hij is onder voogden5) en verzorgers, tot den tijd6) van den vader te voren gesteld.
3Alzo wij ook,7) toen wij kinderen8) waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt9) onder de eerste10) beginselen der wereld.
4Maar wanneer de volheid des tijds11) gekomen is, heeft God Zijn Zoon12) uitgezonden, geworden13) uit een vrouw,14) geworden onder de wet;15)
5Opdat Hij degenen, die16) onder de wet waren, verlossen zou,17) en opdat wij de aanneming18) tot kinderen verkrijgen zouden.
6En overmits gij19) kinderen zijt,20) zo heeft God den Geest Zijns21) Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept:22) Abba, Vader!23)
7Zo dan, gij zijt24) niet meer25) een dienstknecht,26) maar een zoon; en indien gij een zoon zijt,27) zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.29)
8Maar toen, als gij God30) niet kendet, diendet gij31) degenen,32) die van nature33) geen goden zijn;
9En nu, als gij God kent,34) ja, veelmeer35) van God gekend zijt,36) hoe keert gij u37) wederom40)38) tot de zwakke39) en arme beginselen, welke gij wederom van voren aan41) wilt dienen?42)
10Gij43) onderhoudt44) dagen, en45) maanden, en46) tijden, en47) jaren.48)
11Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins tevergeefs aan49) u gearbeid heb.
12Weest gij als ik, want ook ik ben als gij; broeders, ik bid u; gij hebt mij geen ongelijk gedaan.
13En gij weet, dat50) ik u door zwakheid51) des vleses het Evangelie de eerste maal52) verkondigd heb;
14En mijn verzoeking,53) die in mijn vlees54) geschiedde, hebt gij niet veracht noch55) verfoeid; maar56) gij naamt mij aan als een engel Gods,57) ja, als Christus Jezus.
15Welke was dan59) uw gelukachting? Want ik geef u getuigenis, dat gij, zo het mogelijk60) ware, uw ogen zoudt61) uitgegraven, en mij gegeven hebben.
16Ben ik dan uw vijand geworden,62) u de waarheid zeggende?63)
17Zij ijveren64) niet recht over u;65) maar zij willen ons66) uitsluiten, opdat gij67) over hen zoudt ijveren.68)
18Doch in het goede69) te allen tijd te70) ijveren is goed, en niet alleenlijk, als ik bij u71) tegenwoordig ben;
19Mijn kinderkens,72) die ik wederom73) arbeide te baren, totdat Christus74) een gestalte in u75) krijge.
20Doch ik wilde, dat ik nu tegenwoordig bij76) u ware, en mijn stem mocht veranderen;77) want ik ben in twijfel over u.78)
21Zegt mij, gij,79) die onder de wet80) wilt zijn, hoort gij de wet niet?81)
22Want er is geschreven,82) dat Abraham twee zonen had, een uit85)83) de dienstmaagd, en84) een uit de vrije.86)
23Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren87) geweest; doch deze, die uit de vrije was, door de beloftenis;88)
24Hetwelk dingen zijn91), die andere beduiding89) hebben; want deze90) zijn de twee verbonden;92) het ene93) van den berg Sinai94), tot dienstbaarheid95) barende, hetwelk is Agar;96)
25Want dit, namelijk Agar,97) is Sinai98), een berg in Arabie,99) en komt overeen100) met Jeruzalem,101) dat nu is, en102) dienstbaar is103) met haar kinderen.104)
26Maar Jeruzalem, dat105) boven is, dat is vrij,106) hetwelk is ons aller107) moeder.108)
27Want er is geschreven:109) Wees vrolijk, gij onvruchtbare,110) die niet baart, breek uit en roep, gij, die geen barensnood hebt, want de kinderen der eenzame zijn veel meer, dan dergene,111) die den man heeft.112)
28Maar wij, broeders, zijn113) kinderen der belofte,114) als Izak was.115)
29Doch gelijkerwijs toen, die116) naar het vlees117) geboren was, vervolgde dengene,118) die naar den Geest119) geboren was, alzo ook nu.120)
30Maar wat zegt de Schrift?121) Werp de dienstmaagd122) uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije.
31Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen123) der dienstmaagd, maar124) der vrije.125)