Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Felix, who had for some time been govern
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of Paul to the Galathians Chapter 3
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 O foolish Galatians, who hath bewitched you, that ye should not obey the truth, before whose eyes Jesus Christ, hath been evidently set forth, crucified among you?
2 This only would I [Note 1] learn of you, Received ye the Spirit by the works of the law, or by the hearing of faith?
3 Are ye so foolish? having begun in the Spirit, are ye now made perfect by the flesh?
4 Have ye suffered so many things in vain? if it be yet in vain.
5 He therefore that ministereth to you the Spirit, and worketh miracles among you, doeth he it by the works of the law, or by the hearing of faith?
6 Even as Abraham believed God, and it was accounted to him for righteousness.
7 Know ye therefore that they which are of faith, the same are the children of Abraham.
8 And the scripture, foreseeing that God would justify the heathen through faith, preached before the gospel unto Abraham, saying, In thee shall all nations be blessed. [Note 2]
9 So then they which be of faith are blessed with faithful Abraham.
10 For as many as are of the works of the law are under the curse: for it is written, Cursed is every one that continueth not in all things which are written in the book of the law to do them. [Note 3]
11 But that no man is justified by the law in the sight of God, it is evident: for, The just shall live by faith.
12 And the law is not of faith: but, The man that doeth them shall live in them.
13 Christ hath redeemed us from the curse of the law, being made a curse for us: for it is written, Cursed is every one that hangeth on a tree: [Note 4]
14 That the blessing of Abraham might come on the Gentiles through Jesus Christ; that we might receive the promise of the Spirit through faith.
15 Brethren, I speak after the manner of men; Though it be but a man's covenant, yet if it be confirmed, no man disannulleth, or addeth thereto.
16 Now to Abraham and his seed were the promises made. He saith not, And to seeds, as of many; but as of one, And to thy seed, which is Christ.
17 And this I say, that the covenant, that was confirmed before of God in Christ, the law, which was four hundred and thirty years after, cannot disannul, that it should make the promise of none effect.
18 For if the inheritance be of the law, it is no more of promise: but God gave it to Abraham by promise.
19 Wherefore then serveth the law? It was added because of transgressions, till the seed should come to whom the promise was made; and it was ordained by angels in the hand of a mediator.
20 Now a mediator is not a mediator of one, but God is one.
21 Is the law then against the promises of God? God forbid: for if there had been a law given which could have given life, verily righteousness should have been by the law.
22 But the scripture hath concluded all under sin, that the promise by faith of Jesus Christ might be given to them that believe.
23 But before faith came, we were kept under the law, shut up unto the faith which should afterwards be revealed.
24 Wherefore the law was our schoolmaster to bring us unto Christ, that we might be justified by faith.
25 But after that faith is come, we are no longer under a schoolmaster.
26 For ye are all the children of God by faith in Christ Jesus.
27 For as many of you as have been baptized into Christ have put on Christ.
28 There is neither Jew nor Greek, there is neither bond nor free, there is neither male nor female: for ye are all one in Christ Jesus.
29 And if ye be Christ's, then are ye Abraham's seed, and heirs according to the promise.

Note 1: I = Paul Note 2: Gen. 18:18
Note 3: Deut. 27:26
Note 4: Deut. 21:23

Galaten 3

1O gij uitzinnige Galaten,1) wie heeft u betoverd, dat2) gij der waarheid3) niet zoudt gehoorzaam zijn;4) denwelken Jezus Christus voor de ogen te voren geschilderd is5) geweest, onder u gekruist zijnde?6)
2Dit alleen wil ik7) van u leren:8) hebt gij den Geest ontvangen9) uit de werken der wet, of uit de prediking10) des geloofs?
3Zijt gij zo uitzinnig? Daar11) gij met den Geest12) begonnen zijt,13) voleindigt gij nu met het vlees?14)
4Hebt gij zoveel15) tevergeefs geleden?16) Indien maar ook17) tevergeefs!
5Die u dan den Geest verleent,18) en krachten onder19) u werkt, doet Hij dat uit de werken der wet, of uit de prediking20) des geloofs?
6Gelijkerwijs Abraham Gode21) geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend;
7Zo verstaat gij dan,22) dat degenen, die uit het geloof zijn,23) Abrahams kinderen zijn.24)
8En de Schrift,25) te voren ziende,26) dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham27) het Evangelie verkondigd,28) zeggende: In u zullen al de29) volken gezegend worden.30)
9Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met den gelovigen Abraham.31)
10Want zovelen als er uit de werken der32) wet zijn, die zijn onder den vloek;33) want er is geschreven:34) Vervloekt is een iegelijk, die35) niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.36)
11En dat niemand door de wet37) gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige38) zal uit het geloof leven.
12Doch de wet is niet uit het geloof;39) maar de mens, die deze dingen doet,40) zal door dezelve41) leven.42)
13Christus heeft ons verlost43) van den vloek44) der wet, een vloek geworden45) zijnde voor ons; want46) er is geschreven:47) Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.48)
14Opdat de zegening van Abraham49) tot de heidenen50) komen zou51) in Christus Jezus,52) en opdat wij53) de belofte des54) Geestes verkrijgen zouden door het geloof.55)
15Broeders, ik spreek naar den mens:56) zelfs eens mensen verbond,57) dat bevestigd is,58) doet niemand te niet,59) of niemand doet daartoe.60)
16Nu zo zijn de beloftenissen61) tot Abraham en zijn zaad gesproken.62) Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van een: En uw zade; hetwelk is Christus.63)
17En dit zeg ik:64) Het verbond, dat65) te voren van God66) bevestigd is op Christus,67) wordt door de wet,68) die na69) vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt,70) om de beloftenis te71) niet te doen.
18Want indien de erfenis72) uit de wet is,73) zo is zij niet meer uit de beloftenis;74) maar God heeft ze Abraham75) door de beloftenis76) genadiglijk gegeven.77)
19Waartoe is dan de wet?78) Zij is83) om der overtredingen79) wil daarbij gesteld,80) totdat het zaad zou81) gekomen zijn, dien het beloofd was;82) en zij is door de engelen84) besteld85) in de hand86) des Middelaars.87)
20En de Middelaar is niet Middelaar van een, maar88) God is een.89)
21Is dan de wet90) tegen de beloftenissen Gods? Dat zij verre;91) want indien er een wet gegeven ware,92) die machtig was93) levend te maken, zo zou waarlijk94) de rechtvaardigheid uit de wet zijn.
22Maar95) de Schrift heeft96) het alles onder de zonde97) besloten, opdat de belofte98) uit het geloof99) van Jezus Christus aan de gelovigen100) zou gegeven worden.101)
23Doch eer het geloof kwam,102) waren wij onder de wet in bewaring gesteld,103) en zijn besloten geweest tot op het geloof,104) dat geopenbaard zou worden.
24Zo dan, de wet is onze105) tuchtmeester geweest106) tot Christus,107) opdat wij uit het geloof108) zouden gerechtvaardigd worden.
25Maar als het geloof gekomen is,109) zo zijn wij niet meer onder110) den tuchtmeester.
26Want gij zijt allen111) kinderen Gods112) door het geloof113) in Christus Jezus.114)
27Want zovelen als gij115) in Christus gedoopt116) zijt, hebt gij Christus aangedaan.117)
28Daarin is noch118) Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen119) man en vrouw; want gij allen zijt een in Christus Jezus.120)
29En indien gij van Christus zijt,121) zo zijt gij dan Abrahams zaad,122) en naar de beloftenis123) erfgenamen.124)