Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: When he drank his destruction at Babylon
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Second letter of Paul to the Corinthians Chapter 8
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Moreover, brethren, we do you to wit of the grace of God bestowed on the Churches of Macedonia;
2 How that in a great trial of affliction the abundance of their joy and their deep poverty abounded unto the riches of their liberality.
3 For to their power, I [Note 1] bear record, yea, and beyond their power they were willing of themselves;
4 Praying us with much intreaty that we would receive the gift, and take upon us the fellowship of the ministering to the saints.
5 And this they did, not as we hoped, but first gave their own selves to the Lord, and unto us by the will of God.
6 Insomuch that we desired Titus, that as he had begun, so he would also finish in you the same grace also.
7 Therefore, as ye abound in every thing, in faith, and utterance, and knowledge, and in all diligence, and in your love to us, see that ye abound in this grace also.
8 I speak not by commandment, but by occasion of the forwardness of others, and to prove the sincerity of your love.
9 For ye know the grace of our Lord Jesus Christ, that, though he was rich, yet for your sakes he became poor, that ye through his poverty might be rich.
10 And herein I give my advice: for this is expedient for you, who have begun before, not only to do, but also to be forward a year ago.
11 Now therefore perform the doing of it; that as there was a readiness to will, so there may be a performance also out of that which ye have.
12 For it there be first a willing mind, it is accepted according to that a man hath, and not according to that he hath not.
13 For I mean not that other men be eased, and ye burdened:
14 But by an equality, that now at this time your abundance may be a supply for their want, that their abundance also may be a supply for your want: that there may be equality:
15 As it is written, He that had gathered much had nothing over; and he that had gathered little had no lack.
16 But thanks be to God, which put the same earnest care into the heart of Titus for you.
17 For indeed he accepted the exhortation; but being more forward, of his own accord he went unto you.
18 And we have sent with him the brother, whose praise is in the gospel throughout all the Churches;
19 And not that only, but who was also chosen of the Churches to travel with us with this grace, which is administered by us to the glory of the same Lord, and declaration of your ready mind:
20 Avoiding this, that no man should blame us in this abundance which is administered by us:
21 Providing for honest things, not only in the sight of the Lord, but also in the sight of men.
22 And we have sent with them our brother, whom we have oftentimes proved diligent in many things, but now much more diligent, upon the great confidence which I have in you.
23 Whether any do enquire of Titus, he is my partner and fellowhelper concerning you: or our brethren be enquired of, they are the messengers of the Churches, and the glory of Christ.
24 Wherefore shew ye to them, and before the Churches, the proof of your love, and of our boasting on your behalf.

Note 1: I = Paul

2 Korinthiërs 8

1Voorts maken wij u bekend, broeders, de genade van God, die in de Gemeenten van2) Macedonie gegeven is.
2Dat in vele beproeving der verdrukking de overvloed hunner3) blijdschap, en hun zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner5) goeddadigheid.6)
3Want zij zijn naar vermogen (ik betuig het), ja, boven vermogen gewillig geweest;
4Ons met vele vermaning biddende7), dat wij wilden aannemen8) de gave en9) de gemeenschap dezer10) bediening, die voor de heiligen geschiedt.11)
5En zij deden niet alleen12), gelijk wij gehoopt hadden, maar gaven zichzelven13) eerst aan den Heere en daarna aan ons, door den wil van God.
6Alzo dat wij Titus vermaanden, dat, gelijk hij te voren begonnen had,14) hij ook alzo nog deze gave bij u15) voleinden zou.
7Zo dan, gelijk gij in alles overvloedig zijt, in geloof, en in woord, en in kennis, en in alle naarstigheid, en in uw liefde tot ons, ziet, dat gij ook in deze gave overvloedig zijt.
8Ik zeg dit niet als gebiedende, maar17) als door de naarstigheid18) van anderen ook de oprechtheid uwer liefde beproevende.
9Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden19), daar Hij rijk was,20) opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden.21)
10En ik zeg in dezen22) mijn mening; want dit is u oorbaar, als die niet alleen het doen, maar ook het willen van over23) een jaar te voren hebt begonnen.
11Maar nu voleindigt ook het doen; opdat, gelijk als er geweest is de volvaardigheid des gemoeds om te willen, er ook alzo zij het voleindigen uit hetgeen gij hebt.
12Want indien te voren de volvaardigheid des gemoeds daar is, zo is iemand aangenaam naar hetgeen24) hij heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft.
13Want dit zeg ik niet, opdat anderen zouden verlichting hebben, en gij verdrukking;25)
14Maar opdat uit gelijkheid, in dezen tegenwoordigen tijd, uw overvloed zij om hun gebrek te vervullen; opdat ook hun overvloed26) zij om uw gebrek te vervullen, opdat er gelijkheid worde.27)
15Gelijk geschreven is:28) Die veel verzameld had, had niet over; en die weinig verzameld had, had niet te weinig.
16Doch Gode zij dank, Die dezelfde naarstigheid29) voor u in het hart van Titus gegeven heeft;
17Dat hij de vermaning heeft aangenomen, en zeer naarstig zijnde, gewillig tot u gereisd is.30)
18En wij hebben ook met hem gezonden den broeder, die lof heeft31) in het Evangelie door al de Gemeenten;
19En dat niet alleen, maar hij is ook van de Gemeenten verkoren32), om met ons te reizen met deze gave,33) die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid des Heeren Zelven, en de volvaardigheid uws34) gemoeds;
20Dit verhoedende, dat ons35) niemand moge lasteren in dezen36) overvloed, die van ons wordt bediend;
21Als die bezorgen, hetgeen eerlijk is, niet alleen voor den Heere, maar ook voor de mensen.
22Wij hebben ook met hen gezonden onzen broeder, welken wij37) in vele dingen dikmaals beproefd hebben, dat hij naarstig is; en nu veel naarstiger, door het groot vertrouwen, dat hij heeft38) tot ulieden.
23Hetzij dan Titus, hij is39) mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn40) afgezanten der Gemeenten,41) en een eer van Christus.
24Bewijst dan aan hen de bewijzing uwer liefde, en van onzen roem van u, ook voor het aangezicht der Gemeenten43).