Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: He, incited by lust of sovereignty, form
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Second letter of Paul to the Corinthians Chapter 6
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 We then, as workers together with him, beseech you also that ye receive not the grace of God in vain.
2 (For he saith, I have heard thee in a time accepted, and in the day of salvation have I succoured thee: behold, now is the accepted time; behold, now is the day of salvation.)
3 Giving no offence in any thing, that the ministry be not blamed:
4 But in all things approving ourselves as the ministers of God, in much patience, in afflictions, in necessities, in distresses,
5 In stripes, in imprisonments, in tumults, in labours, in watchings, in fastings;
6 By pureness, by knowledge, by long suffering, by kindness, by the Holy Ghost, by love unfeigned,
7 By the word of truth, by the power of God, by the armour of righteousness on the right hand and on the left,
8 By honour and dishonour, by evil report and good report: as deceivers, and yet true;
9 As unknown, and yet well known; as dying, and, behold, we live; as chastened, and not killed;
10 As sorrowful, yet alway rejoicing; as poor, yet making many rich; as having nothing, and yet possessing all things.
11 O ye Corinthians, our mouth is open unto you, our heart is enlarged.
12 Ye are not straitened in us, but ye are straitened in your own bowels.
13 Now for a recompence in the same, (I [Note 1] speak as unto my children,) be ye also enlarged.
14 Be ye not unequally yoked together with unbelievers: for what fellowship hath righteousness with unrighteousness? and what communion hath light with darkness?
15 And what concord hath Christ with Belial? or what part hath he that believeth with an infidel?
16 And what agreement hath the temple of God with idols? for ye are the temple of the living God; as God hath said, I will dwell in them, and walk in them; and I will be their God, and they shall be my people.
17 Wherefore come out from among them, and be ye separate, saith the Lord, and touch not the unclean thing; and I will receive you.
18 And will be a Father unto you, and ye shall be my sons and daughters, saith the Lord Almighty.

Note 1: I = Paul

2 Korinthiërs 6

1En wij, als medearbeidende,2) bidden u3) ook, dat gij de genade Gods4) niet tevergeefs moogt5) ontvangen hebben.
2Want Hij zegt:6) In den aangenamen tijd heb Ik u verhoord, en in den dag der zaligheid heb Ik u geholpen. Ziet, nu is het de welaangename tijd,8) ziet, nu is het de dag der zaligheid!
3Wij geven geen aanstoot in enig ding, opdat de bediening niet9) gelasterd worde.10)
4Maar wij, als dienaars van God, maken onszelven11) in alles aangenaam, in vele verdraagzaamheid, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden,
5In slagen, in gevangenissen, in beroerten, in arbeid,12) in waken, in vasten,
6In reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in goedertierenheid, in den Heiligen Geest,14) in ongeveinsde liefde,
7In het woord der waarheid,15) in de kracht van God, door de wapenen der17) gerechtigheid aan de rechter en aan de linker zijde;
8Door eer en oneer,18) door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders, en nochtans waarachtigen;
9Als onbekenden, en nochtans bekend; als stervenden, en ziet, wij leven20); als getuchtigd, en niet gedood;
10Als droevig zijnde, doch altijd blijde;21) als arm, doch velen rijk makende; als23) niets hebbende, en nochtans alles bezittende.24)
11Onze mond is25) opengedaan tegen u, o Korinthiers, ons hart is uitgebreid.
12Gij zijt niet nauw26) in ons, maar gij zijt nauw in uw ingewanden.
13Nu, om dezelfde vergelding te doen,, ik spreek als tot mijn kinderen) zo wordt gij ook28) uitgebreid.
14Trekt niet een ander juk aan met29) de ongelovigen; want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis?
15En wat samenstemming heeft Christus met Belial, of wat deel heeft de gelovige met den ongelovige?
16Of wat samenvoeging heeft de tempel Gods met de31) afgoden? Want gij zijt de tempel32) des levenden Gods;33) gelijkerwijs God gezegd heeft:34) Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een volk zijn.
17Daarom gaat uit het35) midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen.
18En Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige.