Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Zalmoxes reigned whom many writers of an
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Second letter of Paul to the Corinthians Chapter 3
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Do we begin again to commend ourselves? or need we, as some others, epistles of commendation to you, or letters of commendation from you?
2 Ye are our epistle written in our hearts, known and read of all men:
3 Forasmuch as ye are manifestly declared to be the epistle of Christ ministered by us, written not with ink, but with the Spirit of the living God not in tables of stone, but in fleshy tables of the heart.
4 And such trust have we through Christ to God-ward:
5 Not that we are sufficient of ourselves to think any thing as of ourselves; but our sufficiency is of God;
6 Who also hath made us able ministers of the New Testament; not of the letter, but of the spirit: for the letter killeth, but the spirit giveth life.
7 But if the ministration of death, written and engraven in stones, was glorious, so that the children of Israel could not stedfastly behold the face of Moses for the glory of his countenance; which glory was to be done away:
8 How shall not the ministration of the spirit be rather glorious?
9 For if the ministration of condemnation be glory, much more doth the ministration of righteousness exceed in glory.
10 For even that which was made glorious had no glory in this respect, by reason of the glory that excelleth.
11 For if that which is done away was glorious, much more that which remaineth is glorious.
12 Seeing then that we have such hope, we use great plainness of speech:
13 And not as Moses, which put a vail over his face, that the children of Israel could not stedfastly look to the end of that which is abolished:
14 But their minds were blinded: for until this day remaineth the same vail untaken away in the reading of the old testament; which vail is done away in Christ.
15 But even unto this day, when Moses is read, the vail is upon their heart.
16 Nevertheless when it shall turn to the Lord, the vail shall be taken away.
17 Now the Lord is that Spirit: and where the Spirit of the Lord is, there is liberty.
18 But we all, with open face beholding as in a glass the glory of the Lord, are changed into the same image from glory to glory, even as by the Spirit of the Lord.

2 Korinthiërs 3

1Beginnen wij onszelven wederom1) u aan te2) prijzen? Of behoeven wij ook, gelijk sommigen, brieven van3) voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u?
2Gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle mensen;
3Als die openbaar zijt geworden, dat gij een brief van Christus zijt, en door onzen dienst4) bereid, die geschreven is niet met inkt,5) maar door den Geest des levenden Gods,6) niet in stenen tafelen,7) maar in vlezen tafelen des harten.
4En zodanig een vertrouwen9) hebben wij door Christus bij God.
5Niet dat wij van onszelven bekwaam10) zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God;
6Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet12) der letter, maar13) des Geestes; want de14) letter doodt, maar de Geest15) maakt levend.16)
7En indien de bediening des doods in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, alzo dat de kinderen Israels het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid zijns17) aangezichts, die te niet gedaan zou worden,
8Hoe zal niet veel meer de bediening des Geestes in19) heerlijkheid zijn?
9Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening der rechtvaardigheid20) overvloedig in heerlijkheid.
10Want ook het verheerlijkte is21) zelfs niet verheerlijkt in dezen dele, ten aanzien van deze22) uitnemende heerlijkheid.
11Want indien hetgeen te niet gedaan wordt, in heerlijkheid was, veel meer is hetgeen blijft23), in heerlijkheid.
12Dewijl wij dan zodanige hoop hebben, zo gebruiken wij vele vrijmoedigheid in het spreken;24)
13En doen niet gelijkerwijs Mozes, die een deksel op zijn aangezicht legde, opdat de kinderen Israels25) niet zouden sterk zien op het einde van hetgeen26) te niet gedaan wordt.
14Maar hun zinnen zijn verhard geworden;27) want tot op den dag van heden blijft hetzelfde deksel28) in het lezen des Ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, hetwelk door Christus29) te niet gedaan wordt.
15Maar tot den huidigen dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart.
16Doch zo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen.
17De Heere nu is30) de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid.31)
18En wij allen,32) met ongedekten aangezichte33) de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.34)