Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Zalmoxes reigned whom many writers of an
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

First letter of Paul to the Thessalonians Chapter 5
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 But of the times and the seasons, brethren, ye have no need that I [Note 1] write unto you.
2 For yourselves know perfectly that the day of the Lord so cometh as a thief in the night.
3 For when they shall say, Peace and safety; then sudden destruction cometh upon them, as travail upon a woman with child; and they shall not escape.
4 But ye, brethren, are not in darkness, that that day should overtake you as a thief.
5 Ye are all the children of light, and the children of the day: we are not of the night, nor of darkness.
6 Therefore let us not sleep, as do others; but let us watch and be sober.
7 For they that sleep sleep in the night; and they that be drunken are drunken in the night.
8 But let us, who are of the day, be sober, putting on the breastplate of faith and love; and for an helmet, the hope of salvation.
9 For God hath not appointed us to wrath, but to obtain salvation by our Lord Jesus Christ,
10 Who died for us, that, whether we wake or sleep, we should live together with him.
11 Wherefore comfort yourselves together, and edify one another, even as also ye do.
12 And we beseech you, brethren, to know them which labour among you, and are over you in the Lord, and admonish you;
13 And to esteem them very highly in love for their work's sake. And be at peace among yourselves.
14 Now we exhort you, brethren, warn them that are unruly, comfort the feebleminded, support the weak, be patient toward all men.
15 See that none render evil for evil unto any man; but ever follow that which is good, both among yourselves, and to all men.
16 Rejoice evermore.
17 Pray without ceasing.
18 In every thing give thanks: for this is the will of God in Christ Jesus concerning you.
19 Quench not the Spirit.
20 Despise not prophesyings.
21 Prove all things; hold fast that which is good.
22 Abstain from all appearance of evil.
23 And the very God of peace sanctify you wholly; and I pray God your whole spirit and soul and body be preserved blameless unto the coming of our Lord Jesus Christ.
24 Faithful is he that calleth you, who also will do it.
25 Brethren, pray for us.
26 Greet all the brethren with an holy kiss.
27 I charge you by the Lord that this epistle be read unto all the holy brethren.
28 The grace of our Lord Jesus Christ be with you. Amen.

Note 1: I = Paul

Event: Last Judgement

1 Thessalonicensen 5

1Maar van de tijden en de gelegenheden,1) broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve.
2Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag2) des Heeren alzo zal3) komen, gelijk4) een dief in de nacht.
3Want wanneer zij zullen zeggen6)5): Het is vrede, en zonder7) gevaar; dan zal een8) haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het geenszins ontvlieden;
4Maar gij, broeders, gij zijt niet in9) duisternis, dat u die dag als10) een dief zou bevangen.
5Gij11) zijt allen kinderen des lichts12), en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis.
6Zo laat ons dan niet slapen13), gelijk als de anderen, maar laat ons waken14), en nuchteren15) zijn.
7Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des16) nachts dronken;
8Maar wij, die17) des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen18) des geloofs en der liefde, en tot19) een helm, de hoop der zaligheid.
9Want God heeft ons niet gesteld20) tot toorn21), maar tot verkrijging22) der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus;
10Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen23), te zamen met Hem leven zouden.
11Daarom vermaant24) elkander, en sticht25) de een den anderen, gelijk gij ook doet.
12En wij bidden u, broeders, in29)gen">erkent26) degenen, die onder u arbeiden27), en uw voorstanders28) zijn in den Heere, en u vermanen30);
13En acht hen zeer veel in31) liefde, om32) huns werks wil. Zijt vreedzaam onder elkander.
14En wij bidden u, broeders, vermaant de ongeregelden33), vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt34) de zwakken, zijt lankmoedig jegens allen.
15Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt allen tijd het goede35) na, zo jegens elkander als jegens allen.
16Verblijdt36) u te allen tijd.
17Bidt zonder37) ophouden.
18Dankt God in alles38); want dit is de wil39) van God in Christus Jezus over u.
19Blust40) den Geest niet uit.
20Veracht de41) profetieen niet.
21Beproeft42) alle dingen; behoudt43) het44) goede.
22Onthoudt u van allen schijn des kwaads.
23En in48)gen">de God45) des vredes Zelf heilige u geheel en46) al; en uw geheel oprechte geest47), en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus.
24Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen49) zal.
25Broeders, bidt voor ons.
26Groet al de broeders met50) een heiligen kus.
27Ik51) bezweer ulieden52) bij den Heere, dat deze zendbrief al den heiligen broederen gelezen worde.
28De53) genade van onzen Heere Jezus Christus zij met ulieden. Amen.