Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Being unaccustomed to sailing, he feared
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

First letter of Paul to the Thessalonians Chapter 2
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 For yourselves, brethren, know our entrance in unto you, that it was not in vain:
2 But even after that we had suffered before, and were shamefully entreated, as ye know, at Philippi, we were bold in our God to speak unto you the gospel of God with much contention.
3 For our exhortation was not of deceit, nor of uncleanness, nor in guile:
4 But as we were allowed of God to be put in trust with the gospel, even so we speak; not as pleasing men, but God, which trieth our hearts.
5 For neither at any time used we flattering words, as ye know, nor a cloke of covetousness; God is witness:
6 Nor of men sought we glory, neither of you, nor yet of others, when we might have been burdensome, as the apostles of Christ.
7 But we were gentle among you, even as a nurse cherisheth her children:
8 So being affectionately desirous of you, we were willing to have imparted unto you, not the gospel of God only, but also our own souls, because ye were dear unto us.
9 For ye remember, brethren, our labour and travail: for labouring night and day, because we would not be chargeable unto any of you, we preached unto you the gospel of God.
10 Ye are witnesses, and God also, how holily and justly and unblameably we behaved ourselves among you that believe:
11 As ye know how we exhorted and comforted and charged every one of you, as a father doth his children,
12 That ye would walk worthy of God, who hath called you unto his kingdom and glory.
13 For this cause also thank we God without ceasing, because, when ye received the word of God which ye heard of us, ye received it not as the word of men, but as it is in truth, the word of God, which effectually worketh also in you that believe.
14 For ye, brethren, became followers of the Churches of God which in Judaea are in Christ Jesus: for ye also have suffered like things of your own countrymen, even as they have of the Jews:
15 Who both killed the Lord Jesus, and their own prophets, and have persecuted us; and they please not God, and are contrary to all men:
16 Forbidding us to speak to the Gentiles that they might be saved, to fill up their sins alway: for the wrath is come upon them to the uttermost.
17 But we, brethren, being taken from you for a short time in presence, not in heart, endeavoured the more abundantly to see your face with great desire.
18 Wherefore we would have come unto you, even I, Paul, once and again; but Satan hindered us.
19 For what is our hope, or joy, or crown of rejoicing? Are not even ye in the presence of our Lord Jesus Christ at his coming?
20 For ye are our glory and joy.

Event: The Jailor of Philippi

1 Thessalonicensen 2

1Want gij weet zelven, broeders, onzen ingang1) tot u, dat die niet ijdel2) is geweest;
2Maar, hoewel wij te voren geleden hadden, en ook ons smaadheid aangedaan was, gelijk gij weet, te Filippi3), zo hebben wij nochtans vrijmoedigheid gebruikt in onzen4) God, om het Evangelie van God tot u te spreken in veel5) strijds.
3Want onze6) vermaning is niet geweest uit verleiding7), noch uit onreinigheid8), noch met9) bedrog;
4Maar, gelijk wij van God beproefd10) zijn geweest, dat ons het Evangelie zou toebetrouwd11) worden, alzo spreken wij, niet als mensen behagende, maar Gode, Die onze harten12) beproeft.
5Want wij hebben nooit met pluimstrijkende13) woorden omgegaan, gelijk gij weet, noch met enig bedeksel14) van gierigheid; God is Getuige!
6Noch zoekende eer uit mensen, noch van u, noch van anderen; hoewel wij u tot15) last konden zijn als Christus' apostelen;
7Maar wij zijn vriendelijk16) geweest in het midden van u, gelijk als een voedster haar kinderen koestert;
8Alzo wij, tot17) u zeer genegen zijnde, hebben u gaarne willen mededelen niet alleen het Evangelie van God, maar ook onze18) eigen zielen, daarom dat gij ons lief19) geworden waart.
9Want gij gedenkt, broeders, onzen arbeid en moeite; want nacht en dag werkende20), opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evangelie van God onder u gepredikt.
10Gij zijt getuigen, en God, hoe heilig, en rechtvaardig, en onberispelijk wij u, die gelooft, geweest21) zijn.
11Gelijk gij weet, hoe wij een iegelijk van u, als een vader zijn kinderen, vermaanden en vertroostten,
12En betuigden, dat gij zoudt wandelen, waardiglijk22) Gode, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.
13Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, als gij het Woord der prediking23) van God van ons ontvangen24) hebt, gij dat aangenomen25) hebt, niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook26) werkt in u, die gelooft.
14Want gij, broeders, zijt navolgers geworden der Gemeenten Gods, die in Judea zijn, in Christus27) Jezus; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uw eigen28) medeburgers, gelijk als zij van de Joden;
15Welke ook gedood29) hebben den Heere Jezus, en hun eigen30) profeten; en ons hebben vervolgd31), en Gode niet behagen, en alle32) mensen tegen zijn;
16En verhinderen ons te spreken33) tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden; opdat zij te allen tijd hun zonden vervullen35) zouden. En de toorn36) is over hen gekomen tot het einde37).
17Maar wij, broeders, van38) u beroofd39) geweest zijnde voor40) een kleine wijle tijds, naar het aangezicht41), niet naar het hart, hebben ons te overvloediger benaarstigd, om uw aangezicht te zien42), met43) grote begeerte.
18Daarom hebben wij tot u willen komen (immers ik Paulus) eenmaal44) en andermaal, maar de satanas heeft45) ons belet.
19Want welke is onze hoop46), of blijdschap, of kroon47) des roems? Zijt48) gij die ook niet voor onzen Heere Jezus Christus in Zijn toekomst?
20Want gij zijt onze heerlijkheid en blijdschap.