Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Terrible to the State as a mother, terri
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

First letter of John Chapter 3
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Behold, what manner of love the Father hath bestowed upon us, that we should be called the sons of God: therefore the world knoweth us not, because it knew him not.
2 Beloved, now are we the sons of God, and it doth not yet appear what we shall be: but we know that, when he shall appear, we shall be like him; for we shall see him as he is.
3 And every man that hath this hope in him purifieth himself, even as he is pure.
4 Whosoever committeth sin transgresseth also the law: for sin is the transgression of the law.
5 And ye know that he was manifested to take away our sins; and in him is no sin.
6 Whosoever abideth in him sinneth not: whosoever sinneth hath not seen him, neither known him.
7 Little children, let no man deceive you: he that doeth righteousness is righteous, even as he is righteous.
8 He that committeth sin is of the devil; for the devil sinneth from the beginning. For this purpose the Son of God was manifested, that he might destroy the works of the devil.
9 Whosoever is born of God doth not commit sin; for his seed remaineth in him: and he cannot sin, because he is born of God.
10 In this the children of God are manifest, and the children of the devil: whosoever doeth not righteousness is not of God, neither he that loveth not his brother.
11 For this is the message that ye heard from the beginning, that we should love one another.
12 Not as Cain, who was of that wicked one, and slew his brother [Note 1]. And wherefore slew he him? Because his own works were evil, and his brother's righteous.
13 Marvel not, my brethren, if the world hate you.
14 We know that we have passed from death unto life, because we love the brethren. He that loveth not his brother abideth in death.
15 Whosoever hateth his brother is a murderer: and ye know that no murderer hath eternal life abiding in him.
16 Hereby perceive we the love of God, because he laid down his life for us: and we ought to lay down our lives for the brethren.
17 But whoso hath this world's good, and seeth his brother have need, and shutteth up his bowels of compassion from him, how dwelleth the love of God in him?
18 My little children, let us not love in word, neither in tongue; but in deed and in truth.
19 And hereby we know that we are of the truth, and shall assure our hearts before him.
20 For if our heart condemn us, God is greater than our heart, and knoweth all things.
21 Beloved, if our heart condemn us not, then have we confidence toward God.
22 And whatsoever we ask, we receive of him, because we keep his commandments, and do those things that are pleasing in his sight.
23 And this is his commandment, That we should believe on the name of his Son Jesus Christ , and love one another, as he gave us commandment.
24 And he that keepeth his commandments dwelleth in him, and he in him. And hereby we know that he abideth in us, by the Spirit which he hath given us.

Note 1: brother = Abel

1 Johannes 3

1Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat1) wij kinderen Gods2) genaamd zouden worden. Daarom kent ons4) de wereld niet,5) omdat zij Hem niet kent.6)
2Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods,7) en het is8) nog niet geopenbaard,9) wat wij zijn zullen.10) Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn,11) wij Hem zullen gelijk wezen;12) want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.13)
3En een iegelijk, die deze hoop14) op Hem heeft,15) die reinigt zichzelven,16) gelijk Hij rein is.17)
4Een iegelijk, die de zonde doet,18) die doet ook de ongerechtigheid;19) want de zonde is de ongerechtigheid.20)
5En gij weet, dat Hij21) geopenbaard is,22) opdat Hij onze zonden zou wegnemen; en23) geen zonde is in Hem.
6Een iegelijk, die in Hem blijft,24) die zondigt niet;25) een iegelijk, die zondigt, die heeft Hem niet gezien, en heeft26) Hem niet gekend.
7Kinderkens, dat u niemand verleide. Die27) de rechtvaardigheid doet,28) die is rechtvaardig,29) gelijk Hij rechtvaardig is.30)
8Die de zonde doet,31) is uit den duivel;32) want de duivel zondigt van den beginne.33) Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij34) de werken des duivels35) verbreken zou.36)
9Een iegelijk, die uit God geboren37) is, die doet de zonde niet,38) want Zijn zaad39) blijft in hem;40) en hij kan niet zondigen,41) want hij is uit God geboren.42)
10Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Een43) iegelijk, die de rechtvaardigheid44) niet doet, die is niet uit God, en die45) zijn broeder niet liefheeft,
11Want dit is de verkondiging,46) die gij van den beginne gehoord hebt, dat wij elkander zouden liefhebben.
12Niet gelijk Kain, die uit den boze47) was, en zijn broeder48) doodsloeg;49) en om wat oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken50) boos waren, en van zijn broeder rechtvaardig.
13Verwondert u niet,51) mijn broeders, zo u de wereld haat.52)
14Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben; die zijn broeder niet liefheeft, blijft in den dood.
15Een iegelijk, die zijn broeder haat, is een doodslager;53) en gij weet, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende.54)
16Hieraan hebben wij de liefde55) gekend, dat56) Hij57) Zijn leven voor58) ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor59) de broeders het leven te stellen.
17Zo wie nu het goed der wereld61) heeft, en ziet zijn broeder gebrek hebben, en sluit62) zijn hart toe63) voor hem, hoe64) blijft de liefde65) Gods in hem?66)
18Mijn kinderkens, laat ons niet liefhebben met den woorde,67) noch met de tong, maar met de daad en68) waarheid.69)
19En hieraan kennen wij,70) dat wij uit de waarheid71) zijn, en wij zullen onze harten72) verzekeren73) voor Hem.74)
20Want indien ons hart ons75) veroordeelt,76) God is77) meerder dan ons hart,78) en Hij kent alle dingen79).
21Geliefden! Indien ons hart ons niet veroordeelt,80) zo hebben wij vrijmoedigheid81) tot God;82)
22En zo wat wij bidden,83) ontvangen wij van Hem, dewijl wij Zijn geboden bewaren, en doen, hetgeen behagelijk is voor Hem.
23En dit is Zijn gebod, dat wij geloven84) in den Naam85) van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft.
24En die Zijn geboden bewaart, blijft in Hem,86) en Hij in denzelven. En hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft, namelijk uit den Geest,87) Dien Hij ons gegeven heeft.