Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: The infirmities of Augustus increased, a
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

First letter of Paul to the Corinthians Chapter 11
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Be ye followers of me, even as I [Note 1] also am of Christ.
2 Now I praise you, brethren, that ye remember me in all things, and keep the ordinances, as I delivered them to you.
3 But I would have you know, that the head of every man is Christ; and the head of the woman is the man; and the head of Christ is God.
4 Every man praying or prophesying, having his head covered, dishonoureth his head.
5 But every woman that prayeth or prophesieth with her head uncovered dishonoureth her head: for that is even all one as if she were shaven.
6 For if the woman be not covered, let her also be shorn: but if it be a shame for a woman to be shorn or shaven, let her be covered.
7 For a man indeed ought not to cover his head, forasmuch as he is the image and glory of God: but the woman is the glory of the man.
8 For the man is not of the woman: but the woman of the man.
9 Neither was the man created for the woman; but the woman for the man.
10 For this cause ought the woman to have power on her head because of the angels.
11 Nevertheless neither is the man without the woman, neither the woman without the man, in the Lord.
12 For as the woman is of the man, even so is the man also by the woman; but all things of God.
13 Judge in yourselves: is it comely that a woman pray unto God uncovered?
14 Doth not even nature itself teach you, that, if a man have long hair, it is a shame unto him?
15 But if a woman have long hair, it is a glory to her: for her hair is given her for a covering.
16 But if any man seem to be contentious, we have no such custom, neither the Churches of God.
17 Now in this that I declare unto you I praise you not, that ye come together not for the better, but for the worse.
18 For first of all, when ye come together in the Church, I hear that there be divisions among you; and I partly believe it.
19 For there must be also heresies among you, that they which are approved may be made manifest among you.
20 When ye come together therefore into one place, this is not to eat the Lord's supper.
21 For in eating every one taketh before other his own supper: and one is hungry, and another is drunken.
22 What? have ye not houses to eat and to drink in? or despise ye the Church of God, and shame them that have not? what shall I say to you? shall I praise you in this? I praise you not.
23 For I have received of the Lord that which also I delivered unto you, that the Lord Jesus the same night in which he was betrayed took bread.
24 And when he had given thanks, he brake it, and said, Take, eat: this is my body, which is broken for you: this do in remembrance of me.
25 After the same manner also he took the cup, when he had supped, saying, this cup is the New Testament in my blood: this do ye, as oft as ye drink it, in remembrance of me.
26 For as often as ye eat this bread, and drink this cup, ye do shew the Lord's death till he come.
27 Wherefore whosoever shall eat this bread, and drink this cup of the Lord, unworthily, shall be guilty of the body and blood of the Lord.
28 But let a man examine himself, and so let him eat of that bread, and drink of that cup.
29 For he that eateth and drinketh unworthily, eateth and drinketh damnation to himself, not discerning the Lord's body.
30 For this cause many are weak and sickly among you, and many sleep.
31 For if we would judge ourselves, we should not be judged.
32 But when we are judged, we are chastened of the Lord, that we should not be condemned with the world.
33 Wherefore, my brethren, when ye come together to eat, tarry one for another.
34 And if any man hunger, let him eat at home; that ye come not together unto condemnation. And the rest will I set in order when I come.

Note 1: I = Paul

Event: Last Supper

1 Korinthiërs 11

1Weest mijn navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus.1)
2En ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner2) gedachtig zijt, en de inzettingen 3)behoudt, gelijk ik die u overgegeven heb.
3Doch ik wil, dat gij weet4), dat Christus het Hoofd is5) eens iegelijken mans,6) en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van7) Christus.
4Een iegelijk man, die bidt of8) profeteert,9) hebbende iets op het10) hoofd, die onteert11) zijn eigen hoofd;
5Maar een iegelijke vrouw, die12) bidt of13) profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar14) eigen hoofd; want het is een en hetzelfde15), alsof haar het haar afgesneden ware.
6Want indien een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren16) worde; maar indien het lelijk is voor een vrouw geschoren te zijn17), of het haar afgesneden te18) hebben, dat zij zich dekke.
7Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en19) de heerlijkheid Gods20) is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans.21)
8Want de man is uit de vrouw niet,22) maar de vrouw is uit den man.
9Want ook is de man niet geschapen om de vrouw,23) maar de vrouw om den man.24)
10Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, om der engelen wil.26)
11Nochtans is noch27) de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man, in den Heere.28)
12Want gelijkerwijs de vrouw uit den man is,29) alzo is ook de man door de vrouw;30) doch alle dingen zijn uit God.
13Oordeelt gij onder32) uzelven: is het betamelijk, dat de vrouw ongedekt God bidde?
14Of leert u ook de natuur zelve33) niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is?
15Maar zo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is; omdat het lange haar voor een deksel haar is35) gegeven?
16Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn,36) wij hebben zulke gewoonten niet, noch de Gemeenten Gods.
17Dit nu, hetgeen39) ik u aanzegge, prijs ik niet, namelijk dat gij niet tot beter, maar41) tot erger samenkomt.
18Want eerstelijk, als gij samenkomt in de Gemeente,42) zo hoor ik, dat er scheuringen zijn onder44) u; en ik geloof het ten45) dele;
19Want er moeten ook46) ketterijen47) onder u zijn,48) opdat degenen, die oprecht zijn,49) openbaar mogen50) worden onder u.
20Als gij dan bijeen samenkomt, dat51) is niet des52) Heeren avondmaal eten.
21Want in het eten neemt53) een iegelijk te voren55) zijn eigen avondmaal;56) en deze is hongerig57), en de andere is dronken.
22Hebt gij dan geen huizen, om er te eten en te drinken? Of veracht gij de59) Gemeente Gods, en beschaamt gij60) degenen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In dezen prijs ik61) u niet.
23Want ik heb62) van den Heere63) ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb,64) dat de Heere Jezus65) in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam;
24En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.
25Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis.
26Want zo dikwijls als gij dit brood zult67) eten, en dezen drinkbeker zult68) drinken, zo verkondigt den69) dood des Heeren, totdat Hij komt.70)
27Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet, of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan72) het lichaam en bloed des Heeren.
28Maar de mens beproeve zichzelven,73) en ete alzo74) van het brood75), en drinke van den drinkbeker.76)
29Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel,77) niet onderscheidende het78) lichaam des Heeren.
30Daarom zijn onder79) u vele zwakken en kranken, en velen slapen.80)
31Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden81) wij niet geoordeeld worden.82)
32Maar als wij83) geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.
33Zo dan, mijn broeders, als gij samenkomt om te eten,84) verwacht elkander.85)
34Doch zo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat gij niet tot een oordeel87) samenkomt. De overige dingen88) nu zal ik verordenen, als ik zal gekomen zijn.