Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Prayers for either would be impious, vow
Notes
Display Latin text
Display Dutch text


Ovid XIII Chapter 13: 789-869 The song of Polyphemus
Next chapter
Return to index
Previous chapter
Galatea, whiter than the snowy privet petals,
taller than slim alder, more flowery than the meadows,
friskier than a tender kid, more radiant than crystal,
smoother than the shells, polished, by the endless tides;
more welcome than the summer shade, or the sun in winter,
showier than the tall plane-tree, fleeter than the hind;
more than ice sparkling, sweeter than grapes ripening,
softer than the swan's-down, or the milk when curdled,
lovelier, if you did not flee, than a watered garden.
Galatea, likewise, wilder than an untamed heifer,
harder than an ancient oak, trickier than the sea;
tougher than the willow-twigs, or the white vine branches,
firmer than these cliffs, more turbulent than a river,
vainer than the vaunted peacock, fiercer than the fire;
more truculent than a pregnant bear, pricklier than thistles,
deafer than the waters, crueller than a trodden snake;
oh, what I
[Note 1] wish I could alter in you, most of all, is this:
that you are swifter than the deer, driven by loud barking,
swifter even than the winds, and the passing breeze.
But if you knew me well, you would regret your flight,
and you would condemn your own efforts yourself, and hold to me:

half of the mountain is mine, and the deep caves
in the natural rock, where winter is not felt
nor the midsummer sun. There are apples that
weigh down the branches, golden and purple grapes on the trailing vines.
Those, and these, I keep for you.
You will pick ripe strawberries born in the woodland shadows,
in autumn cherries and plums, not just the juicy blue-purples,
but also the large yellow ones, the colour of fresh bees'-wax.
There will be no lack of fruit from the wild strawberry trees,
nor from the tall chestnuts: every tree will be there to serve you.
This whole flock is mine, and many are wandering the valleys as well,
many hidden by the woods, many penned in the caves.
If you asked me I could not tell you how many there are:
a poor man counts his flocks.
You can see, you need not merely believe me,
how they can hardly move their legs with their full udders.
There are newborn lambs in the warn sheepfolds,
and kids too, of the same age, in other pens,
and I always have snow-white milk: some of it kept
for drinking, and some with rennet added to curdle it.

You will not have vulgar gifts or easily found pleasures,
such as leverets, or does, or kids,
or paired doves, or a nest from the tree-tops.
I came upon twin cubs of a shaggy bear
that you can play with: so alike you can hardly separate them.
I came upon them and I said: "I shall keep these for my mistress."
Now Galatea, only lift your shining head from the dark blue sea:
come, do not scorn my gifts. Lately, I examined myself,
it's true, and looked at my reflection in the clear water,
and, seeing my self, it pleased me.
Look how large I am: Jupiter, in the sky, since you are accustomed
to saying some Jove or other rules there, has no bigger a body.
Luxuriant hair hangs over my face, and shades my shoulders
like a grove. And do not consider it ugly
for my whole body to be bristling with thick prickly hair.
A tree is ugly without its leaves: a horse is ugly unless
a golden mane covers its neck: feathers
hide the birds: their wool becomes the sheep:
a beard and shaggy hair befits a man's body.
I only have one eye in the middle of my forehead,
but it is as big as a large shield.
Well? Does great Sol not see all this from the sky?
Yet Sol's orb is unique. Added to that my father, Neptune,
rules over your waters: I give you him as a father-in-law.
Only have pity, and listen to my humble prayers!
I, who scorn Jove and his heaven and his piercing lightning-bolt,
submit to you alone: I fear you, Nereid: your anger
is fiercer than lightning. And I could bear this contempt of yours
more patiently, if you fled from everyone.
But why, rejecting Cyclops, love Acis, and prefer Acis's embrace to mine?
Though he is pleased with himself, and, what I dislike,
pleases you too, Galatea, let me just have a chance at him.
Then he will know I am as strong as I am big! I'll tear
out his entrails while he lives, rend his limbs
and scatter them over the fields, and over your ocean,
(so he can join you!) For I am on fire,
and, wounded, I burn with a fiercer flame,
and I seem to bear Aetna with all his violent powers
sunk in my breast, yet you, Galatea, are unmoved.'

Note 1: I = Polyphemus

Event: Polyphemus, Acis and Galatea

Jij, Galatea, bent witter dan het blad van ligusters, bloemrijker dan een wei en slanker dan een hoge els. Jij schittert mooier dan glas en bent speelser dan een levendig geitje, jij voelt gladder aan dan schelpen in de zee die door de golfslag zijn opgeblonken. Je bent aangenamer dan de winterzon en de schaduw in de zomer, rijker dan palmen en sierlijker dan een groeiende plataan. Jij bent helderder dan ijs, zoeter dan rijpe druiven en zachter dan zwanendons. Je bent frisser dan een goed besproeide tuin...

Ik wil niet dat je me ontglipt, want je bent ook wreder dan een stier, harder dan oeroud eikenhout en bedrieglijker dan water. Je bent ook taaier dan wilgentakken of de rank van een witte wingerd en kouder dan deze rots. Je bent nog woester dan een bergstroom, trotser dan veelgeprezen pauwen en pijnlijker dan vuur. Je bent scherper dan distels, grimmiger dan een berin met jongen en dover dan de zee. Je bent gemener dan een adder in het gras, je zou sneller vluchten dan herten, opgejaagd door luid geblaf en vooral dat laatste zou ik je graag beletten, als ik maar kon... Je bent sneller dan de wind en hun vederlichte briesjes!

Als jij me goed leert kennen, krijg je spijt dat je mij al die tijd ontlopen bent en probeer je mij zelfs vast te houden! Ik heb een grot, die in de stenen bergwand verscholen ligt; in de zomergloed kent ze geen zonnestralen en in de winter voelt ze geen koude. Er groeien vruchten, takken vol, en in mijn wijngaard hangen lange rijen druiven, deels goud glanzend, deels fonkelrood, en beide soorten koester ik voor jou. Aardbeien, rijp geworden onder de rijke schaduw van de bomen, kun je er eigenhandig plukken net als herfstkornoelje en pruimen, niet alleen de donkerblauwe, sappige, maar ook de meer verfijnde soort die goudgeel is als gesmolten bijenwas.

Als je mijn vrouw wordt, heb je nooit tekort aan heesterbessen noch aan kastanjes; elke boom zal daar je dienaar zijn. En ook dit vee is van mij; veel van mijn dieren dwalen nog over de hellingen, veel in het bos, veel staan er thuis op stal; en mocht je willen weten hoeveel - dat kan ik gewoon niet zeggen: alleen wie arm is, telt zijn schapen...En wanneer je denkt dat ik alleen maar opschep, kom dan zelf eens bij me kijken hoe krap hun poten rond de strak gespannen uiers staan. Mijn jonger vee, de lammetjes, zit in de beschutte hokken; in andere hokken zitten bokjes van hetzelfde jaar.

Ik heb altijd voldoende romige melk; een deel bewaar ik om van te drinken en de rest wordt tot kaas verwerkt. Je krijgt van mij speciale troeteldieren, niet alleen wat iedereen aan iedereen geeft: reeŽn, haasjes, bokjes, een koppel duiven of een uit de boom gevallen nest. Nee, jij krijgt ook twee welpen van een harige berin om mee te spelen; ze gelijken als twee druppels water op elkaar. Ik vond ze in de hoge bergen en dacht direct: ĎDie zijn voor Galatea.í

Toe, steek je mooie hoofdje nu toch eens uit de blauwe zee, kom, Galatea, kom dan! Wijs niet af wat ik je aanbied! Ik ken mezelf heel goed, ik zag zojuist mijn spiegelbeeld in helder water en wat ik zag beviel mij! Kijk dan hoe groot ik ben! Mijn lichaam doet bepaald niet onder voor dat van jullie hemelgod, want jullie roepen vaak dat daar een Jupiter regeert, en kijk, mijn stoere hoofd heeft heel wat haar, dat als een bos mijn schouders overschaduwt. En je mag mijn lichaam, dat dichtbegroeid is met stekelig gewas, niet lelijk vinden! Bomen zonder blaadjes zijn lelijk, een paard is lelijk als zijn nek geen blonde manen draagt, vogels dragen een verenkleed, schapen pronken met hun wollige vacht, bij mannen past een baard en ruige haargroei op het lichaam.

Ik heb een oog in het midden van mijn voorhoofd, maar het is zo groot als een machtig schild. En dan? De grote zon neemt vanuit de lucht toch ook alles waar? En hij heeft maar een ronde oogbol! Bedenk ook dat mijn vader heerser is in jullie zee, door mij word jij Neptunusí dochter! Toon nu medelijden en luister naar een smekeling!

Ik kniel alleen voor jou; ik die om Jupiter, zijn hemel en fatale bliksems niets geef, ik aanbid jou wel, een kind van Nereus. Jouw afkeer treft mij dieper dan bliksemvuur, en ik zou die nog verdragen als je alle mannen negeerde. Waarom verstoot je mij en houd je wel van Acis? Waarom geen cycloop omhelzen en Acis wel? Die mag dan blij zijn met zichzelf en jij met hem - helaas - maar Galatea, als ik de kans krijg, zal hij wel merken dat mijn kracht mijn grootte evenaart.

Ik zal zijn levende organen uitrukken, hem in stukken uitstrooien over land en zee, jouw zee, dan is hij toch weer bij je...Want ik brand van liefde en mijn liefdesvuur laait hoger op door liefdespijn: het voelt alsof mijn hart de Etna met zijn vuur meesjouwt. Maar jij blijft ongevoelig, Galatea...í