Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Prayers for either would be impious, vow
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of Paul to the Romans Chapter 8
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 There is therefore now no condemnation to them which are in Christ Jesus, who walk not after the flesh, but after the Spirit.
2 For the law of the Spirit of life in Christ Jesus hath made me [Note 1] free from the law of sin and death.
3 For what the law could not do, in that it was weak through the flesh, God sending his own son in the likeness of sinful flesh, and for sin, condemned sin in the flesh:
4 That the righteousness of the law might be fulfilled in us, who walk not after the flesh, but after the Spirit.
5 For they that are after the flesh do mind the things of the flesh; but they that are after the Spirit the things of the Spirit.
6 For to be carnally minded is death; but to be spiritually minded is life and peace.
7 Because the carnal mind is enmity against God: for it is not subject to the law of God, neither indeed can be.
8 So then they that are in the flesh cannot please God.
9 But ye are not in the flesh, but in the Spirit, if so be that the Spirit of God dwell in you. Now if any man have not the Spirit of Christ, he is none of his.
10 And if Christ be in you, the body is dead because of sin; but the Spirit is life because of righteousness.
11 But if the Spirit of him that raised up Jesus from the dead dwell in you, he that raised up Christ from the dead shall also quicken your mortal bodies by his Spirit that dwelleth in you.
12 Therefore, brethren, we are debtors, not to the flesh, to live after the flesh.
13 For if ye live after the flesh, ye shall die: but if ye through the Spirit do mortify the deeds of the body, ye shall live.
14 For as many as are led by the Spirit of God, they are the sons of God.
15 For ye have not received the spirit of bondage again to fear; but ye have received the Spirit of adoption, whereby we cry, Abba, Father
16 The Spirit itself beareth witness with our spirit, that we are the children of God:
17 And if children, then heirs; heirs of God, and joint-heirs with Christ; if so be that we suffer with him, that we may be also glorified together.
18 For I reckon that the sufferings of this present time are not worthy to be compared with the glory which shall be revealed in us.
19 For the earnest expectation of the creature waiteth for the manifestation of the sons of God.
20 For the creature was made subject to vanity, not willingly, but by reason of him who hath subjected the same in hope,
21 Because the creature itself also shall be delivered from the bondage of corruption into the glorious liberty of the children of God.
22 For we know that the whole creation groaneth and travaileth in pain together until now.
23 And not only they, but ourselves also, which have the firstfruits of the Spirit, even we ourselves groan within ourselves, waiting for the adoption, to wit, the redemption of our body.
24 For we are saved by hope: but hope that is seen is not hope: for what a man seeth, why doth he yet hope for?
25 But if we hope for that we see not, then do we with patience wait for it.
26 Likewise the Spirit also helpeth our infirmities: for we know not what we should pray for as we ought: but the Spirit itself maketh intercession for us with groanings which cannot be uttered.
27 And he that searcheth the hearts knoweth what is the mind of the Spirit, because he maketh intercession for the saints according to the will of God.
28 And we know that all things work together for good to them that love God, to them who are the called according to his purpose.
29 For whom he did foreknow, he also did predestinate to be conformed to the image of his Son, that he might be the firstborn among many brethren.
30 Moreover whom he did predestinate, them he also called: and whom he called, them he also justified: and whom he justified, them he also glorified.
31 What shall we then say to these things? If God be for us, who can be against us?
32 He that spared not his own Son, but delivered him up for us all, how shall he not with him also freely give us all things?
33 Who shall lay any thing to the charge of God's elect? It is God that justifieth.
34 Who is he that condemneth? It is Christ that died, yea rather, that is risen again, who is even at the right hand of God, who also maketh intercession for us.
35 Who shall separate us from the love of Christ? shall tribulation, or distress, or persecution, or famine, or nakedness, or peril, or sword?
36 As it is written, For thy sake we are killed all the day long; we are accounted as sheep for the slaughter.
37 Nay, in all these things we are more than conquerors through him that loved us.
38 For I am persuaded, that neither death, nor life, nor angels, nor principalities, nor powers, nor things present, nor things to come,
39 Nor height, nor depth, nor any other creature, shall be able to separate us from the love of God, which is in Christ Jesus our Lord.

Note 1: me = Paul

Romeinen 8

1Zo is er dan nu geen1) verdoemenis voor degenen,2) die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen,3) maar naar den Geest.
2Want de wet des Geestes des levens4) in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.5)
3Want6) hetgeen der wet onmogelijk was,7) dewijl zij door het vlees krachteloos was,8) heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid9) des zondigen vleses,10) en dat voor de zonde,11) de zonde veroordeeld12) in het vlees.13)
4Opdat het recht der wet14) vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen,15) maar naar den Geest.
5Want die naar het vlees zijn,16) bedenken, dat des vleses is;17) maar die naar den Geest zijn18), bedenken, dat des Geestes is.19)
6Want het bedenken des vleses is de dood;20) maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede;21)
7Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God;22) want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.23)
8En die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen.24)
9Doch gijlieden25) zijt niet in het vlees,26) maar in den Geest,27) zo anders de Geest Gods28) in u woont.29) Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft,30) die komt Hem niet toe.31)
10En indien Christus in ulieden is, zo is wel het lichaam dood32) om der zonden wil;33) maar de geest34) is leven35) om der gerechtigheid wil.36)
11En indien de Geest Desgenen, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken,37) door Zijn Geest,38) Die in u woont.
12Zo dan, broeders, wij zijn schuldenaars39) niet aan het vlees, om naar het vlees te leven.
13Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven;40) maar indien gij door den Geest41) de werkingen des lichaams42) doodt, zo zult gij leven.43)
14Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden,44) die zijn kinderen Gods.45)
15Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid46) wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming47) tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader!48)
16Dezelve Geest getuigt met onzen geest,49) dat wij kinderen Gods zijn.
17En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God,50) en medeerfgenamen van Christus;51) zo wij anders met Hem lijden,52) opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.53)
18Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds54) niet is te waarderen55) tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.
19Want56) het schepsel,57) als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods.
20Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig,58) maar om diens wil,59) die het der ijdelheid onderworpen heeft;
21Op hoop,60) dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods.
22Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht, en te zamen als in barensnood is tot nu toe.
23En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben,61) wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven,62) verwachtende de aanneming tot kinderen,63) namelijk de verlossing onzes lichaams.64)
24Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt,65) is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?66)
25Maar indien wij hopen, hetgeen wij niet zien,67) zo verwachten wij het met lijdzaamheid.
26En desgelijks komt ook de Geest68) onze zwakheden mede te hulp;69) want wij weten niet,70) wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons71) met onuitsprekelijke zuchtingen.
27En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt.
28En wij weten,72) dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken73) ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen74) geroepen zijn.75)
29Want die Hij te voren gekend heeft,76) die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn,77) opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.
30En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen;78) en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die79) Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.80)
31Wat zullen wij dan81) tot deze dingen zeggen?82) Zo God voor ons is,83) wie zal tegen ons zijn?84)
32Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft,85) maar heeft Hem voor ons allen86) overgegeven,87) hoe zal Hij ons ook met Hem88) niet alle dingen89) schenken?90)
33Wie zal beschuldiging inbrengen91) tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt.92)
34Wie is het, die verdoemt?93) Christus is het, Die gestorven is;94) ja, wat meer is, Die ook opgewekt is,95) Die ook ter rechter hand Gods is,96) Die ook voor ons bidt.97)
35Wie zal ons scheiden98) van de liefde van Christus?99) Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, naaktheid, of gevaar, of zwaard?
36(Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij den gansen dag100) gedood;101) wij zijn geacht als schapen ter slachting.)
37Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft.102)
38Want ik ben verzekerd,103) dat noch dood, noch leven, noch engelen,104) noch overheden,105) noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen,
39Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods,106) welke is in Christus Jezus, onzen Heere.