Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: That officer's wife, urged by a perverse
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Revelations Chapter 3
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 And unto the angel of the Church in Sardis write; These things saith he that hath the seven Spirits of God, and the seven stars; I [Note 1] know thy works, that thou hast a name that thou livest, and art dead.
2 Be watchful, and strengthen the things which remain, that are ready to die: for I have not found thy works perfect before God.
3 Remember therefore how thou hast received and heard, and hold fast, and repent. If therefore thou shalt not watch, I will come on thee as a thief, and thou shalt not know what hour I will come upon thee.
4 Thou hast a few names even in Sardis which have not defiled their garments; and they shall walk with me in white: for they are worthy.
5 He that overcometh, the same shall be clothed in white raiment; and I will not blot out his name out of the book of life, but I will confess his name before my Father, and before his angels.
6 He that hath an ear, let him hear what the Spirit saith unto the Churches.
7 And to the angel of the Church in Philadelphia write; These things saith he that is holy, he that is true, he that hath the key of David, he that openeth, and no man shutteth; and shutteth, and no man openeth;
8 I know thy works: behold, I have set before thee an open door, and no man can shut it: for thou hast a little strength, and hast kept my word, and hast not denied my name.
9 Behold, I will make them of the synagogue of Satan, which say they are Jews, and are not, but do lie; behold, I will make them to come and worship before thy feet, and to know that I have loved thee.
10 Because thou hast kept the word of my patience, I also will keep thee from the hour of temptation, which shall come upon all the world, to try them that dwell upon the earth.
11 Behold, I come quickly: hold that fast which thou hast, that no man take thy crown.
12 Him that overcometh will I make a pillar in the temple of my God, and he shall go no more out: and I will write upon him the name of my God, and the name of the city of my God, which is new Jerusalem, which cometh down out of heaven from my God: and I will write upon him my new name.
13 He that hath an ear, let him hear what the Spirit saith unto the Churches.
14 And unto the angel of the Church of the Laodiceans write; These things saith the Amen, the faithful and true witness, the beginning of the creation of God;
15 I know thy works, that thou art neither cold nor hot: I would thou wert cold or hot.
16 So then because thou art lukewarm, and neither cold nor hot, I will spue thee out of my mouth.
17 Because thou sayest, I am rich, and increased with goods, and have need of nothing; and knowest not that thou art wretched, and miserable, and poor, and blind, and naked:
18 I counsel thee to buy of me gold tried in the fire, that thou mayest be rich; and white raiment, that thou mayest be clothed, and that the shame of thy nakedness do not appear; and anoint thine eyes with eye-salve, that thou mayest see.
19 As many as I love, I rebuke and chasten: be zealous therefore, and repent.
20 Behold, I stand at the door, and knock: if any man hear my voice, and open the door, I will come in to him, and will sup with him, and he with me.
21 To him that overcometh will I grant to sit with me in my throne, even as I also overcame, and am set down with my Father in his throne.
22 He that hath an ear, let him hear what the Spirit saith unto the Churches.

Note 1: I = Jesus

Openbaring 3

1En schrijf aan den engel der1) Gemeente, die te Sardis is:2) Dit zegt, Die de zeven geesten Gods3) heeft, en de zeven sterren: Ik weet uw werken, dat gij den naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood.
2Zijt wakende,5) en versterk het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden7) voor God.8)
3Gedenk dan, hoe gij het ontvangen9) en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief,10) en gij zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal.
4Doch gij hebt enige weinige namen ook te Sardis,11) die hun klederen niet12) bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen13) in witte klederen,14) overmits zij het waardig zijn.
5Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en Ik zal zijn naam belijden17) voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.
6Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.
7En schrijf aan den engel der Gemeente, die in Filadelfia is:18) Dit zegt de Heilige, de19) Waarachtige, Die den sleutel Davids20) heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent:
8Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor u21) gegeven, en niemand kan die sluiten; want gij hebt kleine kracht,22) en gij hebt Mijn woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend.
9Zie, Ik geef u enigen uit de synagoge des satans, dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie, Ik zal maken, dat23) zij zullen komen, en aanbidden voor uw voeten, en bekennen, dat Ik u liefheb.
10Omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid25) bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit de ure26) der verzoeking, die27) over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen.
11Zie, Ik kom haastelijk; houd dat gij hebt,28) opdat niemand uw kroon neme.29)
12Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer31) daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven32) den Naam Mijns Gods,33) en de naam der stad Mijns Gods, namelijk des nieuwen Jeruzalems,34) dat uit den hemel35) van Mijn God afdaalt, en ook Mijn nieuwen Naam.36)
13Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.
14En schrijf aan den engel van de Gemeente der Laodicensen:37) Dit zegt de Amen,38) de trouwe, en waarachtige Getuige, het Begin der40) schepping Gods:
15Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt,41) noch heet; och, of gij koud waart, of heet!
16Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen.42)
17Want gij zegt: Ik ben rijk,43) en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en44) naakt.45)
18Ik raad u dat gij van Mij koopt goud,46) beproefd komende uit47) het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat48) gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt.49)
19Zo wie Ik liefheb,50) die bestraf en51) kastijd Ik; wees52) dan ijverig, en bekeer u.
20Zie, Ik sta aan de deur53), en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden,55) en hij met Mij.
21Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik56) overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.
22Die oren heeft, die hore, wat de Geest tot de Gemeenten zegt.