Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: He subsequently incurred the degrading i
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Revelations Chapter 2
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Unto the angel of the Church of Ephesus write; These things saith he that holdeth the seven stars in his right hand, who walketh in the midst of the seven golden candlesticks;
2 I [Note 1] know thy works, and thy labour, and thy patience, and how thou canst not bear them which are evil: and thou hast tried them which say they are apostles, and are not, and hast found them liars:
3 And hast borne, and hast patience, and for my name's sake hast laboured, and hast not fainted.
4 Nevertheless I have somewhat against thee, because thou hast left thy first love.
5 Remember therefore from whence thou art fallen, and repent, and do the first works; or else I will come unto thee quickly, and will remove thy candlestick out of his place, except thou repent.
6 But this thou hast, that thou hatest the deeds of the Nicolaitanes, which I also hate.
7 He that hath an ear, let him hear what the Spirit saith unto the Churches; To him that overcometh will I give to eat of the tree of life, which is in the midst of the paradise of God.
8 And unto the angel of the Church in Smyrna write; These things saith the first and the last, which was dead, and is alive;
9 I know thy works, and tribulation, and poverty, (but thou art rich) and I know the blasphemy of them which say they are Jews, and are not, but are the synagogue of Satan.
10 Fear none of those things which thou shalt suffer: behold, the devil shall cast some of you into prison, that ye may be tried; and ye shall have tribulation ten days: be thou faithful unto death, and I will give thee a crown of life.
11 He that hath an ear, let him hear what the Spirit saith unto the Churches; He that overcometh shall not be hurt of the second death.
12 And to the angel of the Church in Pergamos write: These things saith he which hath the sharp sword with two edges;
13 I know thy works, and where thou dwellest, even where Satan's seat is: and thou holdest fast my name, and hast not denied my faith, even in those days wherein Antipas was my faithful martyr, who was slain among you, where Satan dwelleth.
14 But I have a few things against thee, because thou hast there them that hold the doctrine of Balaam, who taught Balac to cast a stumblingblock before the children of Israel, to eat things sacrificed unto idols, and to commit fornication.
15 So hast thou also them that hold the doctrine of the Nicolaitanes, which thing I hate.
16 Repent; or else I will come unto thee quickly, and will fight against them with the sword of my mouth.
17 He that hath an ear, let him hear what the Spirit saith unto the Churches; To him that overcometh will I give to eat of the hidden manna, and will give him a white stone, and in the stone a new name written, which no man knoweth saving he that receiveth it.
18 And unto the angel of the Church in Thyatira write; These things saith the son of God, who hath his eyes like unto a flame of fire, and his feet are like fine brass;
19 I know thy works, and charity, and service, and faith, and thy patience, and thy works; and the last to be more than the first.
20 Notwithstanding I have a few things against thee, because thou sufferest that woman Jezebel, which calleth herself a prophetess, to teach and to seduce my servants to commit fornication, and to eat things sacrificed unto idols.
21 And I gave her space to repent of her fornication; and she repented not.
22 Behold, I will cast her into a bed, and them that commit adultery with her into great tribulation, except they repent of their deeds.
23 And I will kill her children with death; and all the Churches shall know that I am he which searcheth the reins and hearts: and I will give unto every one of you according to your works.
24 But unto you I say, and unto the rest in Thyatira, as many as have not this doctrine, and which have not known the depths of Satan, as they speak; I will put upon you none other burden.
25 But that which ye have already hold fast till I come. 26 And he that overcometh, and keepeth my works unto the end, to him will I give power over the nations:
27 And he shall rule them with a rod of iron; as the vessels of a potter shall they be broken to shivers: even as I received of my Father.
28 And I will give him the morning star.
29 He that hath an ear, let him hear what the Spirit saith unto the Churches.

Note 1: I = Jesus

Openbaring 2

1Schrijf aan den engel1) der Gemeente van Efeze2): Dit zegt Hij, Die de zeven sterren in Zijn rechter hand houdt, Die in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt:4)
2Ik weet5) uw werken, en uw arbeid,6) en uw lijdzaamheid,7) en dat gij de kwade8)n niet kunt dragen; en dat gij beproefd9) hebt degenen, die uitgeven, dat zij10) apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden;
3En gij hebt verdragen, en hebt geduld; en gij hebt om Mijns Naams wil gearbeid, en zijt niet moede geworden.
4Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste11) liefde hebt verlaten.
5Gedenk dan, waarvan12) gij uitgevallen zijt, en bekeer13) u, en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal u haastelijk14) bij komen, en zal uw kandelaar15) van zijn plaats weren, indien gij u niet bekeert.
6Maar dit hebt gij, dat gij de werken der16) Nikolaieten haat, welke Ik ook haat.
7Die oren17) heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van den boom18) des levens, die in het midden van het paradijs Gods is.
8En schrijf aan den engel19) der Gemeente van die van Smyrna:20) Dit zegt de Eerste21) en de Laatste, Die dood22) geweest is, en weder levend23) is geworden:
9Ik weet uw werken, en verdrukking, en armoede24) (doch gij zijt rijk)25), en de lastering26) dergenen, die zeggen27), dat zij Joden zijn, en zijn het28) niet, maar zijn een synagoge29) des satans.
10Vrees30) geen der dingen, die gij lijden zult. Ziet, de duivel31) zal enigen van ulieden in de32) gevangenis werpen, opdat gij verzocht33) wordt; en gij zult een verdrukking hebben van tien34) dagen. Zijt getrouw tot den35) dood, en Ik zal u geven de kroon36) des levens.
11Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, zal van den tweeden37) dood niet beschadigd worden.
12En schrijf aan den engel der Gemeente, die in Pergamus38) is: Dit zegt Hij, Die het39) tweesnijdend scherp zwaard heeft:
13Ik weet uw werken, en waar gij woont; namelijk daar de troon40) des satans is, en gij houdt41) Mijn Naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, in welke Antipas42), Mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij ulieden, daar de satan woont.
14Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat gij43) aldaar hebt, die de lering van Balaam44) houden, die Balak leerde den kinderen Israels een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren.
15Alzo hebt ook gij, die de45) lering der Nikolaieten houden; hetwelk Ik haat.
16Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastelijk bij komen, en zal tegen hen krijg voeren met het46) zwaard Mijns monds.
17Die oren heeft, die hore, wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het47) manna, dat verborgen is, en Ik zal hem geven een witten48) keursteen, en op den keursteen een nieuwen49) naam geschreven, welken50) niemand kent, dan die hem ontvangt.
18En schrijf aan den engel der Gemeente te Thyatire:51) Dit zegt de Zoon52) van God, Die Zijn ogen heeft als een vlam vuurs, en Zijn voeten zijn blinkend53) koper gelijk:
19Ik weet uw werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uw lijdzaamheid, en uw werken, en dat54) de laatste meer zijn dan de eerste.
20Maar Ik heb enige weinige55) dingen tegen u, dat gij de vrouw56) Jezabel, die zichzelve zegt een profetes te zijn, laat leren, en Mijn dienstknechten verleiden, dat zij hoereren en afgodenoffer eten.
21En Ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich zou bekeren van haar hoererij, en zij heeft zich niet bekeerd.
22Zie, Ik werp58) haar te bed, en die met59) haar overspel bedrijven, in grote60) verdrukking, zo zij zich niet bekeren van hun werken.
23En haar kinderen zal Ik door den dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik62) het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal ulieden geven een iegelijk naar uw werken.
24Doch Ik zeg ulieden, en tot de anderen, die te Thyatire zijn, zovelen, als er deze leer niet64) hebben, en die de diepten63) des satans niet gekend hebben, gelijk zij zeggen: Ik zal u geen anderen65) last opleggen;
25Maar hetgeen gij hebt, houdt dat, totdat Ik zal komen.
26En die overwint, en die Mijn werken tot het einde toe bewaart, Ik zal hem macht geven over de heidenen;
27En hij zal66) ze hoeden met een ijzeren staf; zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden; gelijk ook Ik van Mijn Vader ontvangen heb.
28En Ik zal hem de morgenster geven.67)
29Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.