Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Julius Civilis, a man of commanding infl
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Gospel of Mark Chapter 1.0
Next chapter
Return to index
Previous chapter
John the Baptist starts.

1 The beginning of the gospel of Jesus Christ, the son of God;
2 As it is written in the prophets, Behold, I send my messenger before thy face, which shall prepare thy way before thee.
3 The voice of one crying in the wilderness, Prepare ye the way of the Lord, make his paths straight.
4 John did baptize in the wilderness, and preach the baptism of repentance for the remission of sins.
5 And there went out unto him all the land of Judaea, and they of Jerusalem, and were all baptized of him in the river of Jordan, confessing their sins.
6 And John was clothed with camel's hair and with a girdle of a skin about his loins; and he did eat locusts and wild honey;
7 And preached, saying, There cometh one mightier than I after me, the latchet of whose shoes I am not worthy to stoop down and unloose.
8 I indeed have baptized you with water: but he shall baptize you with the Holy Ghost.

Jesus baptized

9 And it came to pass in those days, that Jesus came from Nazareth of Galilee, and was baptized of John in Jordan.
10 And straightway coming up out of the water, he saw the heavens opened, and the Spirit like a dove descending upon him:
11 And there came a voice from heaven, saying, Thou art my beloved son, in whom I am well pleased.

Temptation in the desert

12 And immediately the spirit driveth him into the wilderness.
13 And he was there in the wilderness forty days, tempted of Satan; and was with the wild beasts; and the angels ministered unto him.
14 Now after that John was put in prison, Jesus came into Galilee, preaching the gospel of the kingdom of God,
15 And saying, The time is fulfilled, and the kingdom of God is at hand: repent ye, and believe the gospel.

Jesus calls the first disciples

16 Now as he walked by the Sea of Galilee, he saw Simon and Andrew his brother casting a net into the sea: for they were fishers.
17 And Jesus said unto them, Come ye after me, and I will make you to become fishers of men.
18 And straightway they forsook their nets, and followed him.
19 And when he had gone a little farther thence, he saw James the son of Zebedee, and John his brother, who also were in the ship mending their nets.
20 And straightway he called them: and they left their father Zebedee in the ship with the hired servants, and went after him.
21 And they went into Capernaum; and straightway on the sabbath day he entered into the synagogue, and taught.
22 And they were astonished at his doctrine: for he taught them as one that had authority, and not as the scribes.

Healings in Capernaum

23 And there was in their synagogue a man with an unclean spirit; and he cried out,
24 Saying, Let us alone; what have we to do with thee, thou Jesus of Nazareth? art thou come to destroy us? I know thee who thou art, the Holy One of God.
25 And Jesus rebuked him, saying, Hold thy peace, and come out of him.
26 And when the unclean spirit had torn him, and cried with a loud voice, he came out of him.
27 And they were all amazed, insomuch that they questioned among themselves, saying, What thing is this? what new doctrine is this? for with authority commandeth he even the unclean spirits, and they do obey him.
28 And immediately his fame spread abroad throughout all the region round about Galilee.
29 And forthwith, when they were come out of the synagogue, they entered into the house of Simon and Andrew, with James and John.
30 But Simon's wife's mother lay sick of a fever, and anon they tell him of her.
31 And he came and took her by the hand, and lifted her up; and immediately the fever left her, and she ministered unto them.
32 And at even, when the sun did set, they brought unto him all that were diseased, and them that were possessed with devils.
33 And all the city was gathered together at the door.
34 And he healed many that were sick of divers diseases, and cast out many devils; and suffered not the devils to speak, because they knew him.
35 And in the morning, rising up a great while before day, he went out, and departed into a solitary place, and there prayed.
36 And Simon and they that were with him followed after him.
37 And when they had found him, they said unto him, All men seek for thee.
38 And he said unto them, Let us go into the next towns, that I may preach there also: for therefore came I forth.
39 And he preached in their synagogues throughout all Galilee, and cast out devils.

The healing of a leper

40 And there came a leper to him, beseeching him, and kneeling down to him, and saying unto him, If thou wilt, thou canst make me clean.
41 And Jesus, moved with compassion, put forth his hand, and touched him, and saith unto him, I will; be thou clean.
42 And as soon as he had spoken, immediately the leprosy departed from him, and he was cleansed.
43 And he straitly charged him, and forthwith sent him away;
44 And saith unto him, See thou say nothing to any man: but go thy way, shew thyself to the priest, and offer for thy cleansing those things which Moses commanded, for a testimony unto them.
45 But he went out, and began to publish it much, and to blaze abroad the matter, insomuch that Jesus could no more openly enter into the city, but was without in desert places: and they came to him from every quarter.

Events: John the Baptist starts., Jesus baptized, Temptation in the desert, Jesus calls the first disciples, Healings in Capernaum, The healing of Peter's mother-in-law., The healing of a leper

Markus 1

1Het begin des Evangelies1) van JEZUS CHRISTUS, den Zone Gods.
2Gelijk geschreven is in de profeten:2) Ziet, Ik zend Mijn engel3) voor Uw aangezicht,4) die Uw weg voor U heen bereiden zal.
3De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht.5)
4Johannes was dopende in de woestijn, en predikende den doop der bekering6) tot vergeving der zonden.
5En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden.
6En Johannes was gekleed met kemelshaar,7) en met een lederen gordel om zijn lenden, en at sprinkhanen en wilde honig.8)
7En hij predikte, zeggende: Na mij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben,9) nederbukkende, den riem Zijner schoenen te ontbinden.
8Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met den Heilige Geest.
9En het geschiedde in diezelfde dagen, dat Jezus kwam van Nazareth,10) gelegen in Galilea, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan.
10En terstond als Hij uit het water opklom, zag Hij de hemelen11) opengaan,12) en den Geest, gelijk een duif, op Hem nederdalen.13)
11En er geschiedde een stem uit de hemelen: Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!
12En terstond dreef Hem de Geest uit in de woestijn.14)
13En Hij was aldaar in de woestijn veertig dagen, verzocht van den satan;15) en was bij de wilde gedierten; en de engelen dienden Hem.
14En nadat Johannes overgeleverd was,16) kwam Jezus in Galilea, predikende17) het Evangelie van het Koninkrijk Gods.
15En zeggende: De tijd is vervuld,18) en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie.
16En wandelende bij de Galilese zee, zag Hij Simon en Andreas,19) zijn broeder, werpende het net in de zee (want zij waren vissers);
17En Jezus zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal maken, dat gij vissers der mensen zult worden.20)
18En zij, terstond hun netten verlatende, zijn Hem gevolgd.
19En van daar een weinig voortgegaan zijnde, zag Hij Jakobus, den zoon van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder, en dezelven in het schip hun netten vermakende.
20En terstond riep Hij hen; en zij, latende hun vader Zebedeus in het schip, met de huurlingen, zijn Hem nagevolgd.
21En zij kwamen binnen Kapernaum;21) en terstond op den sabbatdag22) in de synagoge gegaan zijnde, leerde Hij.
22En zij versloegen zich over Zijn leer; want Hij leerde hen, als machthebbende,23) en niet als de Schriftgeleerden.
23En er was in hun synagoge een mens, met een onreinen geest, en hij riep uit,
24Zeggende: Laat af,24) wat hebben wij met U te doen, Gij Jezus Nazarener, zijt Gij gekomen om ons te verderven?25) Ik ken U, wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods.26)
25En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil,27) en ga uit van hem.
26En de onreine geest, hem scheurende,28) en roepende met een grote stem, ging uit van hem.
27En zij werden allen verbaasd, zodat zij onder elkander vraagden, zeggende: Wat is dit? Wat nieuwe leer is deze, dat Hij met macht ook den onreine geesten gebiedt, en zij Hem gehoorzaam zijn!
28En Zijn gerucht ging terstond uit, in het gehele omliggende land van Galilea.
29En van stonde aan uit de synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andreas, met Jakobus en Johannes.
30En Simons vrouws moeder29) lag met de koorts; en terstond zeiden zij Hem van haar.
31En Hij, tot haar gaande, vatte haar hand, en richtte haar op; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende henlieden.
32Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging,30) brachten zij tot Hem allen, die kwalijk gesteld, en van den duivel bezeten waren.
33En de gehele stad was bijeenvergaderd omtrent de deur.
34En Hij genas er velen, die door verscheidene ziekten kwalijk gesteld waren; en wierp vele duivelen uit, en liet de duivelen niet toe te spreken,31) omdat zij Hem kenden.
35En des morgens vroeg, als het nog diep in den nacht was, opgestaan zijnde, ging Hij uit, en ging henen in een woeste plaats,32) en bad aldaar.
36En Simon, en die met hem waren,33) zijn Hem nagevolgd.
37En zij Hem gevonden hebbende, zeiden tot Hem: Zij zoeken U allen.
38En Hij zeide tot hen: Laat ons in de bijliggende vlekken gaan,34) opdat Ik ook daar predike; want daartoe ben Ik uitgegaan.
39En Hij predikte in hun synagogen, door geheel Galilea, en wierp de duivelen uit.
40En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende voor Hem op de knieen, en tot Hem zeggende: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.
41En Jezus, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit, en raakte hem aan, en zeide tot hem: Ik wil, word gereinigd!
42En als Hij dit gezegd had, ging de melaatsheid terstond van hem, en hij werd gereinigd.
43En als Hij hem strengelijk verboden had,35) deed Hij hem terstond van Zich gaan;36)
44En zeide tot hem: Zie, dat gij niemand iets zegt;37) maar ga heen en vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, hetgeen Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.
45Maar hij uitgegaan zijnde, begon vele dingen38) te verkondigen, en dat woord te verbreiden,39) alzo dat Hij niet meer openbaar40) in de stad kon komen,41) maar was buiten in de woeste plaatsen; en zij kwamen tot Hem van alle kanten.