Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Felix, who had for some time been govern
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

First letter of John Chapter 2
Next chapter
Return to index
Previous chapter

1 My little children, these things write I [Note 1] unto you, that ye sin not. And if any man sin, we have an advocate with the Father, Jesus Christ the righteous:
2 And he is the propitiation for our sins: and not for our's only, but also for the sins of the whole world.
3 And hereby we do know that we know him, if we keep his commandments.
4 He that saith, I know him, and keepeth not his commandments, is a liar, and the truth is not in him.
5 But whoso keepeth his word, in him verily is the love of God perfected: hereby know we that we are in him.
6 He that saith he abideth in him ought himself also so to walk, even as he walked.
7 Brethren, I write no new commandment unto you, but an old commandment which ye had from the beginning. The old commandment is the word which ye have heard from the beginning.
8 Again, a new commandment I write unto you, which thing is true in him and in you: because the darkness is past, and the true light now shineth.
9 He that saith he is in the light, and hateth his brother, is in darkness even until now.
10 He that loveth his brother abideth in the light, and there is none occasion of stumbling in him.
11 But he that hateth his brother is in darkness, and walketh in darkness, and knoweth not whither he goeth, because that darkness hath blinded his eyes.
12 I write unto you, little children, because your sins are forgiven you for his name's sake.
13 I write unto you, fathers, because ye have known him that is from the beginning. I write unto you, young men, because ye have overcome the wicked one. I write unto you, little children, because ye have known the Father.
14 I have written unto you, fathers, because ye have known him that is from the beginning. I have written unto you, young men, because ye are strong, and the word of God abideth in you, and ye have overcome the wicked one.
15 Love not the world, neither the things that are in the world. If any man love the world, the love of the Father is not in him.
16 For all that is in the world, the lust of the flesh, and the lust of the eyes, and the pride of life, is not of the Father, but is of the world.
17 And the world passeth away, and the lust thereof: but he that doeth the will of God abideth for ever.
18 Little children, it is the last time: and as ye have heard that antichrist shall come, even now are there many antichrists; whereby we know that it is the last time.
19 They went out from us, but they were not of us; for if they had been of us, they would no doubt have continued with us: but they went out, that they might be made manifest that they were not all of us.
20 But ye have an unction from the Holy One, and ye know all things.
21 I have not written unto you because ye know not the truth, but because ye know it, and that no lie is of the truth.
22 Who is a liar but he that denieth that Jesus is the Christ? He is antichrist, that denieth the Father and the son.
23 Whosoever denieth the Son, the same hath not the Father: he that acknowledgeth the Son hath the Father also.
24 Let that therefore abide in you, which ye have heard from the beginning. If that which ye have heard from the beginning shall remain in you, ye also shall continue in the Son, and in the Father.
25 And this is the promise that he hath promised us, even eternal life.
26 These things have I written unto you concerning them that seduce you.
27 But the anointing which ye have received of him abideth in you, and ye need not that any man teach you: but as the same anointing teacheth you of all things, and is truth, and is no lie, and even as it hath taught you, ye shall abide in him.
28 And now, little children, abide in him; that, when he shall appear, we may have confidence, and not be ashamed before him at his coming.
29 If ye know that he is righteous, ye know that every one that doeth righteousness is born of him.

Note 1: I = John

1 Johannes 2

1Mijn kinderkens, ik1) schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt.2) En indien iemand3) gezondigd heeft, wij hebben een4) Voorspraak5) bij den Vader,6) Jezus Christus, den Rechtvaardige;7)
2En Hij is een verzoening8) voor onze zonden;9) en niet alleen voor de onze, maar10) ook voor de zonden der gehele wereld.11)
3En hieraan kennen wij, dat wij Hem12) gekend hebben, zo13) wij Zijn geboden bewaren.14)
4Die daar zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in dien is de waarheid niet;15)
5Maar zo wie Zijn Woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods16) volmaakt geworden;17) hieraan kennen wij,18) dat wij in Hem zijn.19)
6Die zegt, dat hij in Hem blijft,20) die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld21) heeft.
7Broeders! Ik schrijf u geen nieuw gebod,22) maar een oud gebod, dat gij van den beginne gehad23) hebt; dit oud gebod is het woord, dat gij van den beginne gehoord hebt.
8Wederom schrijf24) ik u een nieuw gebod:25) hetgeen waarachtig26) is in Hem, zij ook in u27) waarachtig; want28) de duisternis29) gaat voorbij, en het waarachtige licht30) schijnt nu.31)
9Die zegt, dat hij in het licht is,32) en zijn broeder haat, die is in de duisternis33) tot nog toe.
10Die zijn broeder liefheeft, blijft in het licht, en geen ergernis is in hem.34)
11Maar die zijn broeder haat, is in de duisternis, en wandelt in de duisternis, en weet niet, waar hij henengaat;35) want de duisternis heeft zijn ogen verblind.
12Ik schrijf u, kinderkens,36) want de zonden37) zijn u vergeven om Zijns Naams wil.38)
13Ik schrijf u, vaders! want gij hebt39) Hem gekend,40) Die van den beginne41) is. Ik schrijf u, jongelingen, want42) gij hebt den boze overwonnen.43) Ik schrijf u, kinderen, want44) gij hebt den Vader gekend.45)
14Ik heb u geschreven, vaders, want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk,46) en het Woord Gods47) blijft in u, en gij hebt den boze overwonnen.
15Hebt de wereld niet lief,48) noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders49) is niet in hem.50)
16Want al wat in de wereld51) is, namelijk de begeerlijkheid des vleses,52) en de begeerlijkheid der ogen,53) en de grootsheid des levens,54) is niet uit den Vader,55) maar is uit de wereld.56)
17En de wereld gaat voorbij,57) en haar begeerlijkheid;58) maar die den wil van God59) doet, blijft in der eeuwigheid.60)
18Kinderkens, het is de laatste ure;61) en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist62) komt, zo zijn ook63) nu vele antichristen64) geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure65) is.
19Zij zijn66) uit ons67) uitgegaan, maar68) zij waren uit ons niet;69) want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons70) gebleven zijn;71) maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn.72)
20Doch gij hebt73) de zalving74) van den Heilige,75) en gij weet alle dingen.76)
21Ik heb u niet geschreven, omdat gij de waarheid niet weet,77) maar omdat gij die weet,78) en omdat geen leugen uit de waarheid is.79)
22Wie is de leugenaar, dan80) die loochent, dat Jezus is de Christus?81) Deze is de antichrist, die den Vader en82) den Zoon loochent.83)
23Een iegelijk, die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet.84)
24Hetgeen gijlieden dan85) van den beginne gehoord hebt, dat blijve in u.86) Indien in u blijft, wat gij van den beginne gehoord hebt, zo zult gij ook in den Zoon87) en in den Vader blijven.
25En dit is de belofte,88) die Hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven.89)
26Dit heb ik u geschreven van degenen, die u verleiden.90)
27En de zalving, die91) gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere;92) maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen,93) zo is zij ook waarachtig,94) en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult gij95) in Hem blijven.96)
28En nu, kinderkens, blijft in Hem; opdat,97) wanneer Hij zal geopenbaard zijn,98) wij vrijmoedigheid hebben,99) en wij van Hem niet100) beschaamd gemaakt worden101) in Zijn toekomst.
29Indien gij weet, dat Hij rechtvaardig is,102) zo weet gij, dat een iegelijk, die de rechtvaardigheid103) doet, uit Hem geboren is.104)