Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: That two men, who for shamelessness, ind
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

First letter of Paul to the Corinthians. Chapter 5
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 It is reported commonly that there is fornication among you, and such fornication as is not so much as named among the Gentiles, that one should have his father's wife.
2 And ye are puffed up, and have not rather mourned, that he that hath done this deed might be taken away from among you.
3 For I verily, as absent in body, but present in spirit, have judged already, as though I were present, concerning him that hath so done this deed,
4 In the name of our Lord Jesus Christ, when ye are gathered together, and my spirit, with the power of our Lord Jesus Christ,
5 To deliver such an one unto Satan for the destruction of the flesh, that the spirit may be saved in the day of the Lord Jesus.
6 Your glorying is not good. Know ye not that a little leaven leaveneth the whole lump?
7 Purge out therefore the old leaven, that ye may be a new lump, as ye are unleavened. For even Christ our passover is sacrificed for us:
8 Therefore let us keep the feast, not with old leaven, neither with the leaven of malice and wickedness; but with the unleavened bread of sincerity and truth.
9 I [Note 1] wrote unto you in an epistle not to company with fornicators:
10 Yet not altogether with the fornicators of this world, or with the covetous, or extortioners, or with idolaters; for then must ye needs go out of the world.
11 But now I have written unto you not to keep company, if any man that is called a brother be a fornicator, or covetous, or an idolator, or a railer, or a drunkard, or an extortioner; with such an one no not to eat.
12 For what have I to do to judge them also that are without? do not ye judge them that are within?
13 But them that are without God judgeth. Therefore put away from among yourselves that wicked person.

Note 1: I = Paul

1 Korinthiërs 5

1Men hoort ganselijk, dat er hoererij onder u is, en zodanige hoererij, die ook onder de heidenen niet genoemd2) wordt, alzo dat er een zijns vaders huisvrouw3) heeft.
2En zijt gij nog opgeblazen, en hebt niet veel meer leed gedragen,4) opdat hij uit het midden5) van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft?
3Doch ik, als wel met het lichaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde met den geest,6) heb alrede, als of ik tegenwoordig ware, dengene, die dat alzo bedreven heeft, besloten,
4In den Naam7) van onzen Heere Jezus Christus, als gijlieden en mijn geest samen vergaderd zullen zijn, met de kracht8) van onzen Heere Jezus Christus,
5Denzulken over te geven9) aan den satan, tot verderf des10) vleses, opdat de geest behouden11) moge worden in den dag van den Heere Jezus.
6Uw roem is niet12) goed. Weet gij niet, dat een weinig13) zuurdesem het gehele deeg zuur maakt?
7Zuivert dan den14) ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha15) is voor ons geslacht, namelijk Christus.
8Zo dan laat16) ons feest houden, niet in den ouden17) zuurdesem, noch in den zuurdesem18) der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde19) broden der oprechtheid en der waarheid.
9Ik heb u geschreven in den brief20), dat gij u niet zoudt vermengen met21) de hoereerders;
10Doch niet22) geheellijk met de hoereerders dezer wereld, of met de gierigaards, of met de rovers, of met de afgodendienaars; want anders zoudt gij moeten uit de wereld23) gaan.
11Maar nu heb24) ik u geschreven, dat gij u niet zult vermengen, namelijk indien iemand, een broeder25) genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar,26) of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat gij met zodanig een ook niet zult eten.27)
12Want wat heb ik ook die buiten zijn28) te oordelen? Oordeelt gijlieden niet die binnen zijn?29)
13Maar die buiten zijn oordeelt God.30) En doet gij deze boze uit ulieden weg.