Want wij weten,:
Tot hiertoe heeft de apostel gesproken van de macht der wet en der zonde in den verdorven en onwedergeboren mens, gelijk hij ook zelf eertijds ervaren had, toen hij nog in zulken stand was, Rom. 7:9; maar nu komt hij en spreekt van zichzelven, gelijk hij toen was, en verklaart welke macht de overblijfselen des zondigen vleses nog in hem hadden, nadat hij nu van de heerschappij der zonde was verlost, gelijk al zijne redenen, die volgen, van den tegenwoordigen tijd spreken, en niet van den verleden.