Want gelijk door de ongehoorzaamheid:
Hier besluit de apostel de gelijkenis van Adam en Christus; namelijk dat, gelijk de ongehoorzaamheid van Adam ons toegerekend wordt tot schuld der verdoemenis, alzo Christus' gehoorzaamheid ons toegerekend wordt tot ontslaging van die schuld. Het is wel waar dat gelijk wij door Adams eerste misdaad niet alleen schuldig zijn geworden aan dezelve en aan de straf van dien, maar ook onze natuur daardoor verdorven is geworden, dat alzo wij door Christus' gehoorzaamheid niet alleen van de straf verlost zijn, maar ook door de kracht derzelve van Zijnen Geest in ons gemoed vernieuwd en geheiligd worden; doch daarvan heeft de apostel tot nog toe niet gesproken, maar begint daarvan te spreken in het volgende. En deze vernieuwing is in dit leven ook geheel onvolmaakt, gelijk hij met zijn eigen voorbeeld zal bewijzen in Rom. 7, zodat wij daardoor voor God niet rechtvaardig kunnen gesteld worden.