op den troon.:
Namelijk als een rechter van allen, en in het bijzonder als een koning en beschermer Zijner gemeente. Doch hier moet opgemerkt worden, dat deze troon, waar de donderslagen uit voortkomen, wordt gezegd te zijn in den tempel des hemels. Openb. 16:17,18; dat ook het altaar voor dezen troon Gods staat, Openb. 8:3, en Openb. 9:13; waarin de ark der getuigenis wordt gezien, Openb. 11:19, en waaruit de engelen van Gods aanschijn als Cherubijnen uitgezonden worden, Openb. 14:15,17,18; welke alle, en andere dergelijke op het voorbeeld van den tempel en den tabernakel wijzen, hoewel zulks hier in den hemel is gezien.