Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Buried in the shades of his gardens, lik
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of Paul to the Romans Chapter 12
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 I [Note 1] beseech you therefore, brethren, by the mercies of God, that ye present your bodies a living sacrifice, holy acceptable unto God, which is your reasonable service.
2 And be not conformed to this world: but be ye transformed by the renewing of your mind, that ye may prove what is that good, and acceptable, and perfect, will of God.
3 For I say, through the grace given unto me, to every man that is among you, not to think of himself more highly than he ought to think; but to think soberly, according as God hath dealt to every man the measure of faith.
4 For as we have many members in one body, and all members have not the same office:
5 So we, being many, are one body in Christ, and every one members one of another.
6 Having then gifts differing according to the grace that is given to us, whether prophecy, let us prophesy according to the proportion of faith;
7 Or ministry, let us wait on our ministering: or he that teacheth, on teaching;
8 Or he that exhorteth, on exhortation: he that giveth, let him do it with simplicity; he that ruleth, with diligence; he that sheweth mercy, with cheerfulness.
9 Let love be without dissimulation. Abhor that which is evil; cleave to that which is good.
10 Be kindly affectioned one to another with brotherly love; in honour preferring one another;
11 Not slothful in business; fervent in spirit; serving the Lord;
12 Rejoicing in hope; patient in tribulation; continuing instant in prayer;
13 Distributing to the necessity of saints; given to hospitality.
14 Bless them which persecute you: bless, and curse not.
15 Rejoice with them that do rejoice, and weep with them that weep.
16 Be of the same mind one toward another. Mind not high things, but condescend to men of low estate. Be not wise in your own conceits.
17 Recompense to no man evil for evil. Provide things honest in the sight of all men.
18 If it be possible, as much as lieth in you, live peaceably with all men.
19 Dearly beloved, avenge not yourselves, but rather give place unto wrath: for it is written, Vengeance is mine; I will repay, saith the Lord.
20 Therefore if thine enemy hunger, feed him; if he thirst, give him drink: for in so doing thou shalt heap coals of fire on his head.
21 Be not overcome of evil, but overcome evil with good.

Note 1: I = Paul

Romeinen 12

1Ik bid u dan, broeders,1) door de ontfermingen Gods,2) dat gij uw lichamen3) stelt4) tot een levende,5) heilige6) en Gode welbehagelijke offerande,7) welke is uw redelijke godsdienst.8)
2En wordt dezer wereld9) niet gelijkvormig;10) maar wordt veranderd door de vernieuwing11) uws gemoeds,12) opdat gij moogt beproeven,13) welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.14)
3Want door de genade,15) die mij gegeven is, zeg ik een16) iegelijk,17) die onder u is, dat hij niet wijs zij boven hetgeen men behoort wijs te zijn;18) maar dat hij wijs zij tot19) matigheid,20) gelijk als God21) een iegelijk22) de mate des geloofs23) gedeeld heeft.24)
4Want gelijk wij in een lichaam vele leden hebben,25) en de leden alle niet dezelfde werking hebben;
5Alzo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elkeen zijn wij elkanders leden.
6Hebbende nu verscheidene26) gaven,27) naar de genade, die ons gegeven is,
7Zo laat ons die gaven besteden,28) hetzij profetie,29) naar de mate des geloofs;30) hetzij bediening, in het bedienen;31) hetzij die leert, in het leren;32)
8Hetzij die vermaant, in het vermanen;33) die uitdeelt,34) in eenvoudigheid;35) die een voorstander is,36) in naarstigheid; die barmhartigheid doet,37) in blijmoedigheid.38)
9De liefde39) zij ongeveinsd.40) Hebt een afkeer van het boze,41) en hangt het goede aan.42)
10Hebt elkander hartelijk lief43) met broederlijke liefde;44) met eer de een de ander voorgaande.45)
11Zijt niet traag46) in het benaarstigen.47) Zijt vurig van geest.48) Dient den Heere.49)
12Verblijdt u50) in de hoop.51) Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed.
13Deelt mede tot de behoeften52) der heiligen.53) Tracht naar herbergzaamheid.54)
14Zegent hen, die u vervolgen; zegent en55) vervloekt niet.56)
15Verblijdt u met de blijden;57) en weent met de wenenden.
16Weest eensgezind onder elkander.58) Tracht niet naar de hoge dingen,59) maar voegt u60) tot de nederige.61) Zijt niet wijs bij uzelven.62)
17Vergeldt niemand kwaad voor kwaad.63) Bezorgt hetgeen eerlijk is64) voor alle mensen.65)
18Indien het mogelijk is,66) zoveel in u is,67) houdt vrede met alle mensen.68)
19Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats;69) want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere.
20Indien dan uw vijand70) hongert,71) zo spijzigt hem;72) indien hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen.73)
21Wordt van het kwade niet74) overwonnen,75) maar overwint het kwade76) door het goede.77)