Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: He called into his service twelve lictor
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of Paul to the Romans Chapter 11
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 I [Note 1] say then, Hath God cast away his people? God forbid. For I also am an Israelite, of the seed of Abraham, of the tribe of Benjamin.
2 God hath not cast away his people which he foreknew. Wot ye not what the scripture saith of Elias? how he maketh intercession to God against Israel saying,
3 Lord, they have killed thy prophets, and digged down thine altars; and I am left alone, and they seek my life.
4 But what saith the answer of God unto him? I have reserved to myself seven thousand men, who have not bowed the knee to the image of Baal.
5 Even so then at this present time also there is a remnant according to the election of grace.
6 And if by grace, then is it no more of works: otherwise grace is no more grace. But if it be of works, then it is no more grace: otherwise work is no more work.
7 What then? Israel hath not obtained that which he seeketh for; but the election hath obtained it, and the rest were blinded.
8 (According as it is written, God hath given them the spirit of slumber, eyes that they should not see, and ears that they should not hear;) unto this day.
9 And David saith, Let their table be made a snare, and a trap, and a stumblingblock, and a recompence unto them:
10 Let their eyes be darkened, that they may not see, and bow down their back alway.
11 I say then, Have they stumbled that they should fall? God forbid: but rather through their fall salvation is come unto the Gentiles, for to provoke them to jealousy.
12 Now if the fall of them be the riches of the world, and the diminishing of them the riches of the Gentiles; how much more their fulness?
13 For I speak to you Gentiles, inasmuch as I am the apostle of the Gentiles, I magnify mine office:
14 If by any means I may provoke to emulation them which are my flesh, and might save some of them.
15 For if the casting away of them be the reconciling of the world, what shall the receiving of them be, but life from the dead?
16 For if the firstfruit be holy, the lump is also holy: and if the root be holy, so are the branches.
17 And if some of the branches be broken off, and thou, being a wild olive tree wert graffed in among them, and with them partakest of the root and fatness of the olive tree;
18 Boast not against the branches. But if thou boast, thou bearest not the root, but the root thee.
19 Thou wilt say then, The branches were broken off, that I might be graffed in.
20 Well; because of unbelief they were broken off, and thou standest by faith. Be not highminded, but fear:
21 For if God spared not the natural branches, take heed lest he also spare not thee.
22 Behold therefore the goodness and severity of God: on them which fell, severity; but toward thee, goodness, if thou continue in his goodness: otherwise thou also shalt be cut off.
23 And they also, if they abide not still in unbelief, shall be graffed in: for God is able to graff them in again.
24 For if thou wert cut out of the olive tree which is wild by nature, and wert graffed contrary to nature into a good olive tree: how much more shall these, which be the natural branches, be graffed into their own olive tree?
25 For I would not, brethren, that ye should be ignorant of this mystery, lest ye should be wise in your own conceits; that blindness in part is happened to Israel, until the fulness of the Gentiles be come in.
26 And so all Israel shall be saved: as it is written, There shall come out of Sion the Deliverer, and shall turn away ungodliness from Jacob:
27 For this is my covenant unto them, when I shall take away their sins.
28 As concerning the gospel, they are enemies for your sakes: but as touching the election, they are beloved for the father's sakes.
29 For the gifts and calling of God are without repentance.
30 For as ye in times past have not believed God, yet have now obtained mercy through their unbelief:
31 Even so have these also now not believed, that through your mercy they also may obtain mercy.
32 For God hath concluded them all in unbelief, that he might have mercy upon all.
33 O the depth of the riches both of the wisdom and knowledge of God! how unsearchable are his judgments, and his ways past finding out!
34 For who hath known the mind of the Lord? or who hath been his counsellor?
35 Or who hath first given to him, and it shall be recompensed unto him again?
36 For of him, and through him, and to him, are all things: to whom be glory for ever. Amen.

Note 1: I = Paul

Romeinen 11

1Ik zeg dan:1) Heeft God Zijn volk2) verstoten?3) Dat zij verre; want ik ben ook een Israeliet,4) uit het zaad Abrahams,5) van den stam Benjamin.6)
2God heeft Zijn volk7) niet verstoten,8) hetwelk Hij te voren gekend heeft.9) Of weet gij niet,10) wat de Schrift zegt van Elia,11) hoe hij God aanspreekt12) tegen Israel,13) zeggende:
3Heere! zij hebben Uw profeten gedood, en Uw altaren14) omgeworpen;15) en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel.16)
4Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord?17) Ik heb Mijzelven nog zeven duizend18) mannen19) overgelaten,20) die de knie voor het beeld21) van Baal niet gebogen hebben.22)
5Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd23) een overblijfsel geworden,24) naar de verkiezing der genade.25)
6En indien het door genade is,26) zo is het niet meer27) uit de werken;28) anderszins is de genade29) geen genade meer; en30) indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins31) is het werk geen werk meer.32)
7Wat dan?33) Hetgeen34) Israel35) zoekt,36) dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen37) hebben het verkregen, en de anderen38) zijn verhard geworden.39)
8(Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest40) des diepen slaaps;41) ogen om niet te zien,42) en oren om niet te horen) tot op den huidigen dag.43)
9En David zegt:44) Hun tafel worde45) tot een strik,46) en tot een val, en tot een aanstoot, en tot een vergelding voor hen.47)
10Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug allen tijd.48)
11Zo zeg ik dan:49) Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden?50) Dat zij verre; maar door hun val is51) de zaligheid52) den heidenen geworden, om hen53) tot jaloersheid te verwekken.54)
12En indien hun val55) de rijkdom is56) der wereld,57) en hun vermindering58) de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid!59)
13Want ik spreek tot u,60) heidenen, voor zoveel ik61) der heidenen apostel ben;62) ik maak mijn bediening63) heerlijk;64)
14Of ik enigszins mijn vlees65) tot jaloersheid verwekken,66) en enigen67) uit hen68) behouden mocht.69)
15Want indien hun70) verwerping71) de verzoening72) is der wereld,73) wat zal de aanneming wezen,74) anders dan het leven uit de doden?75)
16En indien de eerstelingen76) heilig zijn,77) zo is ook het deeg heilig,78) en indien de wortel heilig is,79) zo zijn ook de takken heilig.80)
17En zo enige der takken81) afgebroken zijn,82) en gij,83) een wilde olijfboom zijnde,84) in derzelver plaats85) zijt ingeent,86) en des wortels en der vettigheid87) des olijfbooms mede deelachtig zijt geworden,88)
18Zo roem niet tegen de takken;89) en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet,90) maar de wortel u.
19Gij zult dan zeggen:91) De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeent worden.
20Het is wel;92) zij zijn door ongeloof afgebroken,93) en gij staat door het geloof.94) Zijt niet hooggevoelende,95) maar vrees.96)
21Want is het, dat God de natuurlijke takken97) niet gespaard heeft,98) zie toe, dat Hij ook mogelijk u niet spare.99)
22Zie dan100) de goedertierenheid101) en de strengheid van God;102) de strengheid wel over degenen,103) die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u,104) indien gij106) in de goedertierenheid blijft;105) anderszins zult ook gij afgehouwen worden.107)
23Maar ook zij, indien zij108) in het ongeloof niet blijven, zullen ingeent worden;109) want God is machtig om dezelve weder in te enten.110)
24Want indien gij111) afgehouwen zijt uit den olijfboom,112) die van nature wild was,113) en tegen nature in den goeden olijfboom ingeent;114) hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn,115) in hun eigen olijfboom geent worden?116)
25Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij117) (opdat gij niet wijs zijt,118) bij uzelven), dat de verharding119) voor een deel120) over Israel gekomen is,121) totdat de volheid der heidenen122) zal ingegaan zijn.123)
26En alzo zal124) geheel Israel125) zalig worden;126) gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen127) en zal de goddeloosheden128) afwenden van Jakob.129)
27En dit is hun een verbond van Mij,130) als Ik hun zonden zal wegnemen.
28Zo zijn zij wel131) vijanden132) aangaande het Evangelie,133) om uwentwil,134) maar aangaande de verkiezing135) zijn zij beminden,136) om der vaderen wil;137)
29Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.138)
30Want gelijkerwijs ook gijlieden139) eertijds Gode140) ongehoorzaam geweest zijt,141) maar nu barmhartigheid verkregen hebt142) door dezer ongehoorzaamheid;143)
31Alzo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geweest,144) opdat ook zij door uw barmhartigheid zouden145) barmhartigheid verkrijgen.146)
32Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid147) besloten,148) opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn.149)
33O diepte des rijkdoms,150) beide der wijsheid en der kennis Gods,151) hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen,152) en onnaspeurlijk Zijn wegen!153)
34Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
35Of wie heeft Hem eerst gegeven,154) en het zal hem wedervergolden worden?155)
36Want uit Hem,156) en door Hem,157) en tot Hem158) zijn alle dingen.159) Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.160)