Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: He called into his service twelve lictor
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of Paul to the Romans Chapter 6
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 What shall we say then? Shall we continue in sin, that grace may abound?
2 God forbid. How shall we, that are dead to sin, live any longer therein?
3 Know ye not, that so many of us as were baptized into Jesus Christ were baptized into his death?
4 Therefore we are buried with him by baptism into death: that like as Christ was raised up from the dead by the glory of the Father, even so we also should walk in newness of life.
5 For if we have been planted together in the likeness of his death, we shall be also in the likeness of his resurrection:
6 Knowing this, that our old man is crucified with him, that the body of sin might be destroyed, that henceforth we should not serve sin.
7 For he that is dead is freed from sin.
8 Now if we be dead with Christ, we believe that we shall also live with him:
9 Knowing that Christ being raised from the dead dieth no more; death hath no more dominion over him.
10 For in that he died, he died unto sin once: but in that he liveth, he liveth unto God.
11 Likewise reckon ye also yourselves to be dead indeed unto sin, but alive unto God through Jesus Christ our Lord.
12 Let not sin therefore reign in your mortal body, that ye should obey it in the lusts thereof.
13 Neither yield ye your members as instruments of unrighteousness unto sin: but yield yourselves unto God, as those that are alive from the dead, and your members as instruments of righteousness unto God.
14 For sin shall not have dominion over you: for ye are not under the law, but under grace.
15 What then? shall we sin, because we are not under the law, but under grace? God forbid.
16 Know ye not, that to whom ye yield yourselves servants to obey, his servants ye are to whom ye obey; whether of sin unto death, or of obedience unto righteousness?
17 But God be thanked, that ye were the servants of sin, but ye have obeyed from the heart that form of doctrine which was delivered you.
18 Being then made free from sin, ye became the servants of righteousness.
19 I speak after the manner of men because of the infirmity of your flesh: for as ye have yielded your members servants to uncleanness and to iniquity unto iniquity; even so now yield your members servants to righteousness unto holiness.
20 For when ye were the servants of sin, ye were free from righteousness.
21 What fruit had ye then in those things whereof ye are now ashamed? for the end of those things is death.
22 But now being made free from sin, and become servants to God, ye have your fruit unto holiness, and the end everlasting life.
23 For the wages of sin is death; but the gift of God is eternal life through Jesus Christ our Lord.

Romeinen 6

1Wat zullen wij dan zeggen?1) Zullen wij in de zonde blijven,2) opdat de genade te meerder worde?3)
2Dat zij verre.4) Wij, die der zonde gestorven zijn,5) hoe zullen wij nog in dezelve leven?6)
3Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn,7) wij in Zijn dood gedoopt zijn?8)
4Wij zijn dan met Hem begraven,9) door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders,10) alzo ook wij11) in nieuwigheid des levens wandelen zouden.
5Want indien wij met Hem een plant geworden zijn12) in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding;
6Dit wetende, dat onze oude mens13) met Hem gekruisigd is,14) opdat het lichaam der zonde15) te niet gedaan worde,16) opdat wij niet meer de zonde dienen.17)
7Want die gestorven is,18) die is gerechtvaardigd van de zonde.19)
8Indien wij nu met Christus gestorven zijn,20) zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven;21)
9Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.22)
10Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde23) eenmaal gestorven;24) en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode.25)
11Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt,26) maar Gode levende zijt27) in Christus Jezus, onzen Heere.
12Dat dan de28) zonde niet29) heerse in uw30) sterfelijk lichaam,31) om haar te gehoorzamen32) in de begeerlijkheden deszelven lichaams.
13En stelt uwe leden niet der zonde33) tot wapenen der ongerechtigheid;34) maar stelt uzelven Gode,35) als uit de doden36) levende geworden zijnde, en stelt uw leden37) Gode tot wapenen der gerechtigheid.
14Want de zonde38) zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet,39) maar onder de genade.40)
15Wat dan?41) Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.
16Weet gij niet, dat wien gij uzelven stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid,42) gij dienstknechten zijt desgenen, dien gij gehoorzaamt, of der zonde tot den dood,43) of der gehoorzaamheid44) tot gerechtigheid?45)
17Maar Gode zij dank, dat gij wel dienstknechten der zonde waart,46) maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer,47) tot hetwelk gij overgegeven zijt;
18En vrijgemaakt zijnde van de zonde,48) zijt gemaakt dienstknechten der gerechtigheid.
19Ik spreek op menselijke wijze,49) om der zwakheid uws vleses wil;50) want gelijk gij uw leden gesteld hebt, om dienstbaar te zijn der onreinigheid51) en der ongerechtigheid,52) tot ongerechtigheid,53) alzo stelt nu uw leden, om dienstbaar te zijn der gerechtigheid, tot heiligmaking.54)
20Want toen gij dienstknechten waart der zonde, zo waart gij vrij van de gerechtigheid.55)
21Wat vrucht dan hadt gij toen van die dingen, waarover gij u nu56) schaamt?57) Want het einde derzelve is de dood.58)
22Maar nu, van de zonde vrijgemaakt zijnde,59) en Gode dienstbaar gemaakt zijnde,60) hebt gij uw vrucht tot heiligmaking,61) en het einde het eeuwige leven.
23Want de bezoldiging der zonde62) is de dood,63) maar de genadegift Gods64) is het eeuwige leven,65) door Jezus Christus, onzen Heere.