Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Buried in the shades of his gardens, lik
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of Paul to the Romans Chapter 2
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Therefore thou art inexcusable, O man, whosoever thou art that judgest: for wherein thou judgest another, thou condemnest thyself; for thou that judgest doest the same things.
2 But we are sure that the judgment of God is according to truth against them which commit such things.
3 And thinkest thou this, O man, that judgest them which do such things, and doest the same, that thou shalt escape the judgment of God?
4 Or despisest thou the riches of his goodness and forbearance and longsuffering; not knowing that the goodness of God leadeth thee to repentance?
5 But after thy hardness and impenitent heart treasurest up unto thyself wrath against the day of wrath and revelation of the righteous judgment of God;
6 Who will render to every man according to his deeds:
7 To them who by patient continuance in well doing seek for glory and honour and immortality, eternal life:
8 But unto them that are contentious, and do not obey the truth, but obey unrighteousness, indignation and wrath,
9 Tribulation and anguish, upon every soul of man that doeth evil, of the Jew first, and also of the Gentile;
10 But glory, honour, and peace, to every man that worketh good, to the Jew first, and also to the Gentile:
11 For there is no respect of persons with God.
12 For as many as have sinned without law shall also perish without law: and as many as have sinned in the law shall be judged by the law;
13 (For not the hearers of the law are just before God, but the doers of the law shall be justified.
14 For when the Gentiles, which have not the law, do by nature the things contained in the law, these, having not the law, are a law unto themselves:
15 Which shew the work of the law written in their hearts, their conscience also bearing witness, and their thoughts the mean while accusing or else excusing one another;)
16 In the day when God shall judge the secrets of men by Jesus Christ according to my gospel.
17 Behold, thou art called a Jew, and restest in the law, and makest thy boast of God,
18 And knowest his will, and approvest the things that are more excellent, being instructed out of the law;
19 And art confident that thou thyself art a guide of the blind a light of them which are in darkness,
20 An instructor of the foolish, a teacher of babes, which hast the form of knowledge and of the truth in the law.
21 Thou therefore which teachest another, teachest thou not thyself? thou that preachest a man should not steal, dost thou steal?
22 Thou that sayest a man should not commit adultery, dost thou commit adultery? thou that abhorrest idols, dost thou commit sacrilege?
23 Thou that makest thy boast of the law, through breaking the law dishonourest thou God?
24 For the name of God is blasphemed among the Gentiles through you, as it is written.
25 For circumcision verily profiteth, if thou keep the law: but if thou be a breaker of the law, thy circumcision is made uncircumcision.
26 Therefore if the uncircumcision keep the righteousness of the law, shall not his uncircumcision be counted for circumcision?
27 And shall not uncircumcision which is by nature, if it fulfil the law, judge thee, who by the letter and circumcision dost transgress the law?
28 For he is not a Jew, which is one outwardly; neither is that circumcision, which is outward in the flesh:
29 But he is a Jew, which is one inwardly; and circumcision is that of the heart, in the spirit, and not in the letter; whose praise is not of men, but of God.

Romeinen 2

1Daarom1) zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt2); want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelven; want gij, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen3).
2En wij weten4), dat het oordeel Gods naar waarheid5) is, over degenen, die zulke dingen doen.
3En denkt gij dit, o mens, die oordeelt dengenen, die zulke dingen doen, en dezelve doet6), dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden?
4Of veracht gij den rijkdom Zijner7) goedertierenheid,8) en verdraagzaamheid,9) en lankmoedigheid,10) niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?11)
5Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart,12) vergadert gij uzelven toorn13) als een schat, in den dag des toorns,14) en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods.
6Welke een iegelijk vergelden zal naar zijn werken;15)
7Dengenen wel, die met volharding16) in goeddoen,17) heerlijkheid, en eer, en onverderfelijkheid zoeken,18) het eeuwige leven;
8Maar dengenen, die twistgierig zijn,19) en die der waarheid ongehoorzaam,20) doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden;21)
9Verdrukking en benauwdheid22) over alle ziel des mensen, die het kwade werkt, eerst van den Jood, en ook van den Griek;
10Maar heerlijkheid,23) en eer, en vrede een iegelijk, die het goede werkt, eerst den Jood, en ook den Griek.
11Want er is geen aanneming des persoons bij God.24)
12Want zovelen, als er zonder wet gezondigd hebben,25) zullen ook zonder wet verloren gaan;26) en zovelen, als er onder de wet gezondigd hebben,27) zullen door de wet geoordeeld worden;28)
13(Want de hoorders der wet29) zijn niet rechtvaardig voor God,30) maar de daders der wet31) zullen gerechtvaardigd worden;32)
14Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben,33) van nature de dingen doen,34) die der wet zijn, dezen, de wet niet hebbende, zijn zichzelven een wet;35)
15Als die betonen36) het werk der wet37) geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende,38) of ook ontschuldigende).39)
16In den dag40) wanneer God de verborgene dingen der mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie.41)
17Zie, gij wordt42) een Jood genaamd43) en rust op de wet;44) en roemt op God,45)
18En gij weet Zijn wil, en beproeft de dingen, die daarvan verschillen,46) zijnde onderwezen uit de wet;47)
19En gij betrouwt uzelven te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen, die in duisternis zijn;
20Een onderrichter der onwijzen, en een leermeester der onwetenden,48) hebbende de gedaante der kennis49) en der waarheid in de wet.
21Die dan een anderen leert, leert gij uzelven niet?50) Die predikt, dat men niet stelen zal, steelt gij?51)
22Die zegt, dat men geen overspel doen zal, doet gij overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt, berooft gij het heilige?52)
23Die op de wet roemt, onteert gij God door de overtreding der wet?
24Want de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd53) onder de heidenen, gelijk geschreven is.
25Want de besnijdenis is wel nut, indien gij de wet doet;54) maar indien gij een overtreder der wet zijt, zo is uw besnijdenis voorhuid geworden.55)
26Indien dan de voorhuid56) de rechten der wet bewaart,57) zal niet zijn voorhuid58) tot een besnijdenis gerekend worden?59)
27En zal de voorhuid,60) die uit de natuur is, als zij de wet volbrengt61), u niet oordelen,62) die door de letter en besnijdenis63) een overtreder der wet zijt?
28Want die is niet een Jood,64) die het in het openbaar is;65) noch die is de besnijdenis,66) die het in het openbaar in het vlees is;
29Maar die is een Jood,67) die het in het verborgen is, en de besnijdenis des harten,68) in den geest,69) niet in de letter,70) is de besnijdenis; wiens lof71) niet is uit de mensen,72) maar uit God.73)