Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: There was a firm persuasion, that in the
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of Paul to the Philippians Chapter 4
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Therefore, my brethren dearly beloved and longed for, my joy and crown, so stand fast in the Lord, my dearly beloved.
2 I [Note 1] beseech Euodias, and beseech Syntyche, that they be of the same mind in the Lord.
3 And I intreat thee also, true yokefellow, help those women which laboured with me in the gospel, with Clement also, and with other my fellowlabourers, whose names are in the book of life.
4 Rejoice in the Lord alway: and again I say, Rejoice.
5 Let your moderation be known unto all men. The Lord is at hand.
6 Be careful for nothing; but in every thing by prayer and supplication with thanksgiving let your requests be made known unto God.
7 And the peace of God, which passeth all understanding, shall keep your hearts and minds through Christ Jesus.
8 Finally, brethren, whatsoever things are true, whatsoever things are honest, whatsoever things are just, whatsoever things are pure, whatsoever things are lovely, whatsoever things are of good report; if there be any virtue, and if there be any praise, think on these things.
9 Those things, which ye have both learned, and received, and heard, and seen in me, do: and the God of peace shall be with you.
10 But I rejoiced in the Lord greatly, that now at the last your care of me hath flourished again; wherein ye were also careful, but ye lacked opportunity.
11 Not that I speak in respect of want: for I have learned, in whatsoever state I am, therewith to be content.
12 I know both how to be abased, and I know how to abound: every where and in all things I am instructed both to be full and to be hungry, both to abound and to suffer need.
13 I can do all things through Christ which strengtheneth me.
14 Notwithstanding ye have well done, that ye did communicate with my affliction.
15 Now ye Philippians know also, that in the beginning of the gospel, when I departed from Macedonia, no Church communicated with me as concerning giving and receiving, but ye only.
16 For even in Thessalonica ye sent once and again unto my necessity.
17 Not because I desire a gift: but I desire fruit that may abound to your account.
18 But I have all, and abound: I am full, having received of Epaphroditus the things which were sent from you, an odour of a sweet smell, a sacrifice acceptable, well-pleasing to God.
19 But my God shall supply all your need according to his riches in glory by Christ Jesus.
20 Now unto God and our Father be glory for ever and ever. Amen.
21 Salute every saint in Christ Jesus. The brethren which are with me greet you.
22 All the saints salute you, chiefly they that are of Caesar's [Note 2] household.
23 The grace of our Lord Jesus Christ be with you all. Amen.

Note 1: I = Paul
Note 2: Caesar = Nero

Filippensen 4

1Zo dan, mijn geliefde en zeer gewenste broeders, mijn blijdschap en kroon, staat alzo in den Heere, geliefden!
2Ik vermaan Euodia,1) en ik vermaan Syntyche, dat zij eensgezind zijn2) in den Heere.3)
3En ik bid ook u, gij mijn oprechte4) metgezel,5) wees dezen vrouwen6) behulpzaam,7) die met mij gestreden hebben8) in het Evangelie, ook met Clemens,9) en de andere mijn medearbeiders,10) welker namen11) zijn12) in het boek13) des levens.
4Verblijdt u14) in den Heere te allen tijd;15) wederom zeg ik: Verblijdt u.
5Uw bescheidenheid16) zij allen mensen bekend. De Heere is nabij.17)
6Weest in geen ding bezorgd;18) maar laat uw begeerten19) in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden20) bij God;
7En de vrede Gods,21) die alle verstand22) te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen23) bewaren24) in Christus Jezus.
8Voorts, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is,25) al wat rechtvaardig is, al wat rein is,26) al wat liefelijk is,27) al wat wel luidt, zo28) er enige deugd is, en zo er enige lof is, bedenkt datzelve;29)
9Hetgeen gij ook30) geleerd, en ontvangen, en gehoord, en in mij gezien hebt, doet dat; en de God des vredes31) zal met u zijn.32)
10En ik ben grotelijks verblijd geweest in den Heere,33) dat gij nu eenmaal wederom verwakkerd zijt34) om aan mij te gedenken;35) waaraan gij ook gedacht hebt,36) maar gij hebt de gelegenheid37) niet gehad.
11Niet dat ik dit zeg vanwege gebrek;38) want ik heb geleerd39) vergenoegd te zijn40) in hetgeen ik ben.41)
12En ik weet42) vernederd te worden,43) ik weet ook overvloed te hebben;44) alleszins en in alles ben ik onderwezen,45) beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden.
13Ik vermag46) alle dingen door47) Christus, Die mij kracht geeft.48)
14Nochtans hebt gij wel gedaan, dat gij met mijn verdrukking49) gemeenschap gehad hebt.50)
15En ook gij, Filippensen, weet, dat in het begin51) des Evangelies, toen ik van Macedonie vertrokken ben, geen Gemeente mij iets52) medegedeeld heeft tot rekening53) van uitgaaf en ontvangst, dan gij alleen.
16Want ook in Thessalonica54) hebt gij mij eenmaal en andermaal gezonden, tot nooddruft.
17Niet dat ik de gave zoek, maar55) ik zoek de vrucht,56) die overvloedig is tot uw rekening.57)
18Maar ik heb alles ontvangen,58) en ik heb overvloed;59) ik ben vervuld geworden,60) als ik van Epafroditus ontvangen heb, dat van u gezonden was, als een welriekende61) reuk, een aangename offerande, Gode welbehagelijk.
19Doch mijn God zal62) naar Zijn rijkdom63) vervullen64) al uw nooddruft,65) in heerlijkheid,66) door Christus Jezus.67)
20Onzen God nu en Vader zij68) de heerlijkheid in alle eeuwigheid.69) Amen.
21Groet alle heiligen in Christus Jezus; U groeten de broeders, die met mij zijn.70)
22Al de heiligen groeten u, en meest die van het huis des71) keizers zijn.
23De genade van72) onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.