Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Poor for many years and suddenly growing
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Gospel of Matthew Chapter 9.0
Next chapter
Return to index
Previous chapter
The healing of a paralytic

1 And he entered into a ship, and passed over, and came into his own city.
2 And, behold, they brought to him a man sick of the palsy, lying on a bed: and Jesus seeing their faith said unto the sick of the palsy; son, be of good cheer; thy sins be forgiven thee.
3 And, behold, certain of the scribes said within themselves, This man blasphemeth.
4 And Jesus knowing their thoughts said, Wherefore think ye evil in your hearts?
5 For whether is easier, to say, Thy sins be forgiven thee; or to say, Arise, and walk?
6 But that ye may know that the Son of Man hath power on earth to forgive sins, (then saith he to the sick of the palsy,) Arise, take up thy bed, and go unto thine house.
7 And he arose, and departed to his house.
8 But when the multitudes saw it, they marvelled, and glorified God, which had given such power unto men.
See also Mark 2:1-12, Luke 5:17-26

The calling of Levi

9 And as Jesus passed forth from thence, he saw a man, named Matthew, sitting at the receipt of custom: and he saith unto him, Follow me. And he arose, and followed him.
10 And it came to pass, as Jesus sat at meat in the house, behold, many publicans and sinners came and sat down with him and his disciples.
11 And when the Pharisees saw it, they said unto his disciples, Why eateth your Master with publicans and sinners?
12 But when Jesus heard that, he said unto them, They that be whole need not a physician, but they that are sick.
13 But go ye and learn what that meaneth, I will have mercy, and not sacrifice: for I am not come to call the righteous, but sinners to repentance.
See also Mark 2:13-17, Luke 5:27-32

About fasting

14 Then came to him the disciples of John, saying, Why do we and the Pharisees fast oft, but thy disciples fast not?
15 And Jesus said unto them, Can the children of the bridechamber mourn, as long as the bridegroom is with them? but the days will come, when the bridegroom shall be taken from them, and then shall they fast.
16 No man putteth a piece of new cloth unto an old garment, for that which is put in to fill it up taketh from the garment, and the rent is made worse.
17 Neither do men put new wine into old bottles: else the bottles break, and the wine runneth out, and the bottles perish: but they put new wine into new bottles, and both are preserved.
See also Mark 2:18-22, Luke 5:33-39

The daughter of Jairus

18 While he spake these things unto them, behold, there came a certain ruler [Note 1], and worshipped him, saying, My daughter is even now dead: but come and lay thy hand upon her, and she shall live.
19 And Jesus arose, and followed him, and so did his disciples.
20 And, behold, a woman, which was diseased with an issue of blood twelve years, came behind him, and touched the hem of his garment:
21 For she said within herself, If I may but touch his garment, I shall be whole.
22 But Jesus turned him about, and when he saw her, he said, Daughter, be of good comfort; thy faith hath made thee whole. And the woman was made whole from that hour.
23 And when Jesus came into the ruler's house, and saw the minstrels and the people making a noise,
24 He said unto them, Give place: for the maid is not dead, but sleepeth. And they laughed him to scorn.
25 But when the people were put forth, he went in, and took her by the hand, and the maid arose.
26 And the fame hereof went abroad into all that land.
See also Mark 5:22-43, Luke 8:40-56

27 And when Jesus departed thence, two blind men followed him, crying, and saying, Thou son of David, have mercy on us.
28 And when he was come into the house, the blind men came to him: and Jesus saith unto them, Believe ye that I am able to do this? They said unto him, Yea, Lord.
29 Then touched he their eyes, saying, According to your faith be it unto you.
30 And their eyes were opened; and Jesus straitly charged them, saying, See that no man know it.
31 But they, when they were departed, spread abroad his fame in all that country.
32 As they went out, behold, they brought to him a dumb man possessed with a devil.
33 And when the devil was cast out, the dumb spake: and the multitudes marvelled, saying, It was never so seen in Israel
34 But the Pharisees said, He casteth out devils through the prince [Note 2] of the devils

35 And Jesus went about all the cities and villages, teaching in their synagogues, and preaching the gospel of the kingdom, and healing every sickness and every disease among the people.
36 But when he saw the multitudes, he was moved with compassion on them, because they fainted, and were scattered abroad, as sheep having no shepherd.
37 Then saith he unto his disciples, The harvest truly is plenteous, but the labourers are few;
38 Pray ye therefore the Lord of the harvest, that he will send forth labourers into his harvest.

Note 1: Jairus
Note 2: prince = Satan

Events: The healing of a paralytic, The calling of Levi, About fasting, The daughter of Jairus

Matthëus 9

1En in het schip gegaan zijnde, voer Hij over en kwam in Zijn stad.1) En ziet, zij brachten tot Hem een geraakte,2) op een bed liggende.
2En Jezus, hun geloof ziende,3) zeide tot den geraakte: Zoon! wees welgemoed;4) uw zonden zijn u vergeven.
3En ziet, sommigen der Schriftgeleerden zeiden in zichzelven: Deze lastert God.5)
4En Jezus, ziende hun gedachten,6) zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uw harten?
5Want wat is lichter 7)te zeggen: De zonden zijn u vergeven? of te zeggen: Sta op en wandel?
6Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen8) macht heeft op de aarde9), de zonden te vergeven (toen zeide Hij tot den geraakte): Sta op, neem uw bed op, en ga heen naar uw huis.
7En hij opgestaan zijnde, ging heen naar zijn huis.10)
8De scharen nu dat ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt, die zodanige macht den mensen gegeven had.
9En Jezus, van daar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten,11) genaamd Mattheus;12) en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.
10En het geschiedde, als Hij in het huis van Mattheus aanzat,13) ziet, vele tollenaars en zondaars kwamen14) en zaten mede aan, met Jezus en Zijn discipelen.
11En de Farizeen, dat ziende, zeiden tot Zijn discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaren en de zondaren?
12Maar Jezus, zulks horende, zeide tot hen: Die gezond zijn 15)hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn.16)
13Doch gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande;17) want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen,18) maar zondaars tot bekering.
14Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem, zeggende: Waarom vasten wij en de Farizeen veel, en Uw discipelen vasten niet?
15En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren19), zolang de Bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten.
16Ook zet niemand een lap20) ongevold laken21) op een oud kleed; want deszelfs aangezette lap22) scheurt af van het kleed,23) en er wordt een ergere scheur.
17Noch doet men nieuwen wijn in oude leder zakken; anders zo bersten de leder zakken24), en de wijn wordt uitgestort, en de leder zakken verderven, maar men doet nieuwen wijn in nieuwe leder zakken, en beide te zamen worden behouden.
18Als Hij deze dingen tot hen sprak, ziet, een overste kwam25) en aanbad Hem, zeggende: Mijn dochter is nu terstond gestorven, doch kom en leg Uw hand op haar, en zij zal leven.26)
19En Jezus opgestaan zijnde, volgde hem, en Zijn discipelen.
20(En ziet, een vrouw die twaalf jaren het bloedvloeien gehad had, komende tot Hem van achteren,27) raakte den zoom Zijns kleeds aan;
21Want zij zeide in zichzelven: Indien ik alleenlijk Zijn kleed aanraak,28) zo zal ik gezond worden.29)
22En Jezus, Zich omkerende, en haar ziende, zeide: Wees welgemoed, dochter! uw geloof heeft u behouden. En de vrouw werd gezond van dezelve ure af.)
23En als Jezus in het huis des oversten kwam, en zag de pijpers en de woelende schare,30)
24Zeide Hij tot hen: Vertrekt; want het dochtertje is niet dood, maar slaapt.31) En zij belachten Hem.
25Als nu de schare uitgedreven was, ging Hij in, en greep haar hand; en het dochtertje stond op.32)
26En dit gerucht ging uit door dat gehele land.
27En als Jezus van daar voortging, zijn Hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende: Gij Zone Davids, ontferm U onzer!33)
28En als Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot Hem. En Jezus zeide tot hen: Gelooft gij, dat Ik dat doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere!
29Toen raakte Hij hun ogen aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof.
30En hun ogen zijn geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer gestrengelijk verboden,34) zeggende: Ziet, dat het niemand wete.
31Maar zij, uitgegaan zijnde, hebben Hem ruchtbaar gemaakt door dat gehele land.
32Als dezen nu uitgingen, ziet, zo brachten zij tot Hem een mens, die stom en van den duivel bezeten was.35)
33En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme. En de scharen verwonderden zich, zeggende: Er is nooit desgelijks in Israel gezien!36)
34Maar de Farizeen zeiden: Hij werpt de duivelen uit door den overste der duivelen.37)
35En Jezus omging al de steden en vlekken, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk.38)
36En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen,39) omdat zij vermoeid en verstrooid waren,40) gelijk schapen, die geen herder hebben.
37Toen zeide Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot;41) maar de arbeiders zijn weinige;
38Bidt dan den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.42)