Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Titus Vinius and Cornelius Laco, one the
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Gospel of Luke Chapter 14.0
Next chapter
Return to index
Previous chapter
Healing of a dropsy on a Sabbath

1 And it came to pass, as he went into the house of one of the chief Pharisees eat bread on the sabbath day, that they watched him.
2 And, behold, there was a certain man before him which had the dropsy.
3 And Jesus answering spake unto the lawyers and Pharisees, saying, Is it lawful to heal on the sabbath day?
4 And they held their peace. And he took him, and healed him, and let him go;
5 And answered them, saying, Which of you shall have an ass or an ox fallen into a pit, and will not straightway pull him out on the sabbath day?
6 And they could not answer him again to these things.
7 And he put forth a parable to those which were bidden, when he marked how they chose out the chief rooms; saying unto them.
8 When thou art bidden of any man to a wedding, sit not down in the highest room; lest a more honourable man than thou be bidden of him;
9 And he that bade thee and him come and say to thee, Give this man place; and thou begin with shame to take the lowest room.
10 But when thou art bidden, go and sit down in the lowest room; that when he that bade thee cometh, he may say unto thee, Friend, go up higher: then shalt thou have worship in the presence of them that sit at meat with thee.
11 For whosoever exalteth himself shall be abased; and he that humbleth himself shall be exalted.
12 Then said he also to him that bade him, When thou makest a dinner or a supper, call not thy friends, nor thy brethren, neither thy kinsmen, nor thy rich neighbours; lest they also bid thee again, and a recompence be made thee.
13 But when thou makest a feast, call the poor, the maimed, the lame, the blind.
14 And thou shalt be blessed; for they cannot recompense thee: for thou shalt be recompensed at the resurrection of the just.

The parable of the excuses

15 And when one of them that sat at meat with him heard these things, he said unto him, Blessed is he that shall eat bread in the kingdom of God.
16 Then said he unto him, A certain man made a great supper, and bade many:
17 And sent his servant at supper time to say to them that were bidden, Come; for all things are now ready.
18 And they all with one consent began to make excuse. The first said unto him, I have bought a piece of ground, and I must needs go and see it: I pray thee have me excused.
19 And another said, I have bought five yoke of oxen, and I go to prove them: I pray thee have me excused.
20 And another said, I have married a wife, and therefore I cannot come.
21 So that servant came, and shewed his lord these things. Then the master of the house being angry said to his servant, Go out quickly into the streets and lanes of the city, and bring in hither the poor, and the maimed, and the halt, and the blind.
22 And the servant said, Lord, it is done as thou hast commanded, and yet there is room.
23 And the lord said unto the servant, Go out into the highways and hedges, and compel them to come in, that my house may be filled.
24 For I say unto you, That none of those men which were bidden shall taste of my supper.
25 And there went great multitudes with him: and he turned, and said unto them,
26 If any man come to me, and hate not his father, and mother, and wife, and children, and brethren, and sisters, yea, and his own life also, he cannot be my disciple.
27 And whosoever doth not bear his cross, and come after me, cannot be my disciple.
28 For which of you, intending to build a tower, sitteth not down first, and counteth the cost, whether he have sufficient to finish it?
29 Lest haply, after he hath laid the foundation, and is not able to finish it, all that behold it begin to mock him,
30 Saying, This man began to build, and was not able to finish.
31 Or what king, going to make war against another king, sitteth not down first, and consulteth whether he be able with ten thousand to meet him that cometh against him with twenty thousand?
32 Or else, while the other is yet a great way off, he sendeth an ambassage, and desireth conditions of peace.
33 So likewise, whosoever he be of you that forsaketh not all that he hath, he cannot be my disciple.
34 Salt is good: but if the salt have lost his savour, wherewith shall it be seasoned?
35 It is neither fit for the land, nor yet for the dunghill; but men cast it out. He that hath ears to hear, let him hear.

Events: Healing of a dropsy on a Sabbath, The parable of the excuses

Lukas 14

1En het geschiedde, als Hij gekomen was in het huis van een der oversten1) der Farizeen, op den sabbat, om brood te eten, dat zij Hem waarnamen.2)
2En ziet, er was een zeker waterzuchtig mens voor Hem.
3En Jezus, antwoordende, zeide tot de wetgeleerden en Farizeen,3) en sprak: Is het ook geoorloofd op den sabbat gezond te maken?
4Maar zij zwegen stil. En Hij nam hem, en genas hem, en liet hem gaan.
5En Hij, hun antwoordende, zeide: Wiens ezel of os van ulieden zal in een put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des sabbats?
6En zij konden Hem daarop niet weder antwoorden.
7En Hij zeide tot de genoden4) een gelijkenis,5) aanmerkende, hoe zij de vooraanzittingen verkozen; zeggende tot hen:
8Wanneer gij van iemand ter bruiloft genood zult zijn, zo zet u niet in de eerste zitplaats; opdat niet misschien een waardiger dan gij6) van hem genood zij;
9En hij, komende, die u en hem genood heeft, tot u zegge: Geef dezen plaats; en gij alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden.
10Maar wanneer gij genood zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u genood heeft, hij tot u zegge: Vriend, ga hoger op.7) Alsdan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten.
11Want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.
12En Hij zeide ook tot dengene, die Hem genood had: Wanneer gij een middagmaal of avondmaal zult houden, zo roep niet uw vrienden,8) noch uw broeders, noch uw magen, noch uw rijke geburen; opdat ook dezelve u niet te eniger tijd wedernoden, en u vergelding geschiede.
13Maar wanneer gij een maaltijd zult houden, zo nood armen, verminkten,9) kreupelen, blinden;
14En gij zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te vergelden; want het zal u vergolden worden10) in de opstanding der rechtvaardigen.11)
15En als een van degenen, die mede aanzaten, deze dingen hoorde, zeide hij tot Hem: Zalig is hij, die brood eet in het Koninkrijk Gods.12)
16Maar Hij zeide tot hem: Een zeker mens bereidde een groot avondmaal,13) en hij noodde er velen.
17En hij zond zijn dienstknecht uit ten ure des avondmaals, om den genoden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed.
18En zij begonnen allen zich eendrachtelijk te ontschuldigen.14) De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is nodig, dat ik uitga, en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.
19En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht,15) en ik ga heen, om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.
20En een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.
21En dezelve dienstknecht weder gekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Toen werd de heer des huizes toornig,16) en zeide tot zijn dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier in.
22En de dienstknecht zeide: Heer, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats.
23En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen,17) opdat mijn huis vol worde;
24Want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen, die genood waren,18) mijn avondmaal smaken zal.
25En vele scharen gingen met Hem; en Hij, Zich omkerende, zeide tot hen:
26Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader,19) en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven,20) die kan Mijn discipel niet zijn.
27En wie zijn kruis niet draagt,21) en Mij navolgt,22) die kan Mijn discipel niet zijn.
28Want wie van u, willende een toren bouwen, zit niet eerst neder, en overrekent de kosten,23) of hij ook heeft, hetgeen tot volmaking nodig is?
29Opdat niet misschien, als hij het fondament gelegd heeft, en niet kan voleindigen, allen, die het zien, hem beginnen te bespotten.
30Zeggende: Deze mens heeft begonnen te bouwen, en heeft niet kunnen voleindigen.
31Of wat koning, gaande naar den krijg, om tegen een anderen koning te slaan, zit niet eerst neder, en beraadslaagt, of hij machtig is met tien duizend te ontmoeten dengene, die met twintig duizend tegen hem komt?
32Anderszins zendt hij gezanten uit, terwijl degene nog verre is, en begeert, hetgeen tot vrede dient.
33Alzo dan een iegelijk van u, die niet verlaat alles,24) wat hij heeft, die kan Mijn discipel niet zijn.
34Het zout is goed; maar indien het zout smakeloos geworden is,25) waarmede zal het smakelijk gemaakt worden?
35Het is noch tot het land,26) noch tot den mesthoop bekwaam; men werpt het weg.27) Wie oren heeft, om te horen, die hore.