Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: It was this same Corbulo, who, after rai
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Gospel of John Chapter 1.0
Next chapter
Return to index
Previous chapter
The Beginning

1 In the beginning was the Word, and the Word was with God, and the Word was God.
2 The same was in the beginning with God.
3 All things were made by him; and without him was not any thing made that was made.
4 In him was life; and the life was the light of men.
5 And the light shineth in darkness; and the darkness comprehended it not.

Statement of John the Baptist about himself

6 There was a man sent from God, whose name was John.
7 The same came for a witness, to bear witness of the Light, that all men through him might believe.
8 He was not that Light, but was sent to bear witness of that Light.
9 That was the true Light, which lighteth every man that cometh into the world.
10 He was in the world, and the world was made by him, and the world knew him not.
11 He came unto his own, and his own received him not.
12 But as many as received him, to them gave he power to become the sons of God, even to them that believe on his name:
13 Which were born, not of blood, nor of the will of the flesh, nor of the will of man, but of God.
14 And the Word was made flesh, and dwelt among us, (and we beheld his glory, the glory as of the only begotten of the Father,) full of grace and truth.
15 John bare witness of him, and cried, saying, This was he of whom I spake, He that cometh after me is preferred before me: for he was before me.
16 And of his fulness have all we received, and grace for grace.
17 For the law was given by Moses, but grace and truth came by Jesus Christ.
18 No man hath seen God at any time, the only begotten Son, which is in the bosom of the Father, he hath declared him.
19 And this is the record of John, when the Jews sent priests and Levites from Jerusalem to ask him, Who art thou?
20 And he confessed, and denied not; but confessed, I am not the Christ.
21 And they asked him, What then? Art thou Elias
And he saith, I am not. Art thou that prophet? And he answered, No.
22 Then said they unto him, Who art thou? that we may give an answer to them that sent us. What sayest thou of thyself?
23 He said, I am the voice of one crying in the wilderness, Make straight the way of the Lord, as said the prophet Esaias
24 And they which were sent were of the Pharisees.
25 And they asked him, and said unto him, Why baptizest thou then, if thou be not that Christ, nor Elias, neither that prophet?
26 John answered them, saying, I baptize with water: but there standeth one among you, whom ye know not;
27 He it is, who coming after me is preferred before me, whose shoe's latchet I am not worthy to unloose.
28 These things were done in Bethabara beyond the Jordan, where John was baptizing.

Statement of John the Baptist about Jesus

29 The next day John seeth Jesus coming unto him, and saith, Behold the Lamb of God, which taketh away the sin of the world.
30 This is he of whom I said, After me cometh a man which is preferred before me: for he was before me.
31 And I knew him not: but that he should be made manifest to Israel, therefore am I come baptizing with water.
32 And John bare record, saying, I saw the Spirit descending from heaven like a dove, and it abode upon him.
33 And I knew him not: but he that sent me to baptize with water, the same said unto me, Upon whom thou shalt see the Spirit descending, and remaining on him, the same is he which baptizeth with the Holy Ghost.
34 And I saw, and bare record that this is the Son of God.
35 Again the next day after John stood, and two of his disciples;
36 And looking upon Jesus as he walked, he saith, Behold the Lamb of God!

Jesus calls the first disciples

37 And the two disciples heard him speak, and they followed Jesus.
38 Then Jesus turned, and saw them following, and saith unto them, What seek ye? They said unto him, rabbi, (which is to say, being interpreted, Master,) where dwellest thou?
39 He saith unto them, Come and see. They came and saw where he dwelt, and abode with him that day: for it was about the tenth hour.
40 One of the two which heard John speak, and followed him, was Andrew, Simon Peter's brother.
41 He first findeth his own brother Simon, and saith unto him, We have found the Messias, which is, being interpreted, the Christ.
42 And he brought him to Jesus. And when Jesus beheld him, he said, Thou art Simon the son of Jona: thou shalt be called Cephas, which is by interpretation, A stone.
43 The day following Jesus would go forth into Galilee, and findeth Philip, and saith unto him, Follow me.
44 Now Philip was of Bethsaida, the city of Andrew and Peter.
45 Philip findeth Nathanael, and saith unto him, We have found him, of whom Moses in the law, and the prophets, did write, Jesus of Nazareth, the son of Joseph.
46 And Nathanael said unto him, Can there any good thing come out of Nazareth? Philip saith unto him, Come and see.
47 Jesus saw Nathanael coming to him, and saith of him, Behold an Israelite indeed, in whom is no guile!
48 Nathanael saith unto him, Whence knowest thou me? Jesus answered and said unto him, Before that Philip called thee, when thou wast under the fig tree I saw thee.
49 Nathanael answered and saith unto him, rabbi, thou art the Son of God; thou art the king of Israel.
50 Jesus answered and said unto him, Because I said unto thee, I saw thee under the fig tree, believest thou? thou shalt see greater things than these.
51 And he saith unto him, Verily, verily, I say unto you, Hereafter ye shall see heaven open, and the angels of God ascending and descending upon the Son of Man.

Events: Statement of John the Baptist about himself, Statement of John the Baptist about Jesus, Jesus calls the first disciples

Johannes 1

1In den beginne was1) het Woord, en2) het Woord was bij God,3) en het Woord was God.4)
2Dit was in den beginne bij God.
3Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en5) zonder Hetzelve6) is geen ding gemaakt,7) dat gemaakt is.
4In Hetzelve was8) het Leven, en9) het Leven was10) het Licht der mensen.11)
5En het Licht12) schijnt13) in de duisternis,14) en de duisternis heeft15) hetzelve niet begrepen.
6Er was een mens van God gezonden,16) wiens naam was Johannes.17)
7Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te18) getuigen, opdat zij allen door hem geloven19) zouden.
8Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou.
9Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht20) een iegelijk mens,21) komende in22) de wereld.
10Hij was in de wereld, en23) de wereld is door Hem gemaakt; en24) de wereld heeft Hem25) niet gekend.
11Hij is gekomen tot het Zijne, en26) de Zijnen hebben27) Hem niet aangenomen.28)
12Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven29) kinderen Gods30) te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;
13Welke niet uit den bloede, noch31) uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren32) zijn.
14En het Woord is vlees33) geworden, en34) heeft onder ons gewoond (en35) wij hebben Zijn heerlijkheid36) aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen37) van den Vader), vol van genade38) en waarheid.
15Johannes getuigt van Hem, en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van Welken ik zeide: Die na mij komt,39) is voor mij geworden,40) want Hij was eer dan ik.41)
16En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.42)
17Want de wet is43) door Mozes gegeven,44) de genade en45) de waarheid is46) door Jezus Christus47) geworden.
18Niemand heeft ooit God gezien; de48) eniggeboren Zoon, Die in den schoot49) des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.51)50)
19En dit is de getuigenis52) van Johannes, toen de Joden enige priesters en Levieten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie zijt gij?
20En hij beleed en loochende het niet;53) en beleed: Ik ben de Christus niet.
21En zij vraagden hem: Wat dan? Zijt gij Elias? En hij zeide: Ik ben die niet.54) Zijt gij de profeet?55) En hij antwoordde: Neen.
22Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? opdat wij antwoord geven mogen dengenen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelven?
23Hij zeide: Ik ben de stem56) des roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht, gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft.
24En de afgezondenen waren uit de Farizeen;
25En zij vraagden hem en spraken tot hem: Waarom doopt57) gij dan, zo gij de Christus niet zijt, noch Elias, noch de profeet?
26Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder58) ulieden, Dien gij niet kent;
27Dezelve is het, Die na mij komt,59) Welke voor mij geworden is, Wien ik niet waardig ben, dat ik Zijn60) schoenriem zou ontbinden.
28Deze dingen zijn geschied in Bethabara,61) over de Jordaan,62) waar Johannes was dopende.
29Des anderen daags63) zag Johannes64) Jezus tot zich komende, en zeide: Zie65) het Lam66) Gods, Dat de67) zonde der wereld68) wegneemt!69)
30Deze is het, van Welken ik gezegd heb:70) Na mij komt een Man, Die voor mij geworden is, want Hij was eer dan ik.71)
31En ik kende Hem niet;72) maar opdat Hij aan Israel zou geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen, dopende met het water.
32En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb den Geest zien73) nederdalen uit den hemel, gelijk een duif, en bleef op Hem.
33En ik kende Hem niet;74) maar Die mij gezonden heeft, om te dopen met water, Die75) had mij gezegd: Op Welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, Deze is het, Die met den Heiligen Geest doopt.76)
34En ik heb gezien, en heb getuigd, dat Deze de Zoon van God is.
35Des anderen daags77) wederom stond Johannes, en twee uit zijn discipelen.
36En ziende op Jezus, daar wandelende, zeide hij: Ziet, het Lam Gods!
37En die twee discipelen hoorden hem dat78) spreken, en zij volgden Jezus.
38En Jezus Zich omkerende, en ziende hen volgen, zeide tot hen:
39Wat zoekt gij? En zij zeiden tot Hem: Rabbi! (hetwelk is te zeggen, overgezet zijnde, Meester) waar79) woont Gij?80)
40Hij zeide tot hen: Komt en ziet! Zij kwamen en zagen, waar Hij woonde, en bleven dien dag bij Hem. En het was omtrent de tiende ure.81)
41Andreas, de broeder van Simon Petrus, was een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden, en Hem gevolgd waren.
42Deze vond eerst zijn broeder Simon,82) en zeide tot hem: Wij hebben gevonden den Messias, hetwelk is, overgezet zijnde, de Christus.83)
43En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus, hem aanziende, zeide: Gij zijt Simon, de zoon van Jonas; gij zult genaamd84) worden Cefas, hetwelk overgezet wordt Petrus.85)
44Des anderen daags86) wilde Jezus heengaan naar Galilea, en vond Filippus, en zeide tot hem: Volg Mij.
45Filippus nu was van Bethsaida,87) uit de stad van Andreas en Petrus.88)
46Filippus vond Nathanael en zeide tot hem: Wij hebben Dien gevonden, van Welken Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, den zoon van Jozef, van Nazareth.
47En Nathanael zeide tot hem: Kan uit Nazareth89) iets goeds zijn? Filippus90) zeide tot hem: Kom en zie.
48Jezus zag Nathanael tot Zich komen, en zeide tot hem: Zie, waarlijk een Israeliet,91) in welken geen bedrog is.
49Nathanael zeide tot Hem: Van waar kent Gij mij? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Eer u Filippus riep, daar gij onder den vijgeboom waart, zag Ik u.
50Nathanael antwoordde en zeide tot Hem: Rabbi! Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israels.
51Jezus antwoordde en zeide tot hem: Omdat Ik u92) gezegd heb: Ik zag u onder de vijgeboom, zo gelooft gij; gij zult grotere dingen zien dan deze.
52En Hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Van nu aan zult gij den hemel zien geopend, en de engelen Gods93) opklimmende en nederdalende op den Zoon des mensen.