Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Buried in the shades of his gardens, lik
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Gospel of John Chapter 2.0
Next chapter
Return to index
Previous chapter
The Wedding in Cana

1 And the third day there was a marriage in Cana of Galilee; and the mother [Note 1] of Jesus was there:
2 And both Jesus was called, and his disciples, to the marriage.
3 And when they wanted wine, the mother of Jesus saith unto him, They have no wine.
4 Jesus saith unto her, Woman, what have I to do with thee? mine hour is not yet come.
5 His mother saith unto the servants, Whatsoever he saith unto you, do it.
6 And there were set there six waterpots of stone, after the manner of the purifying of the Jews, containing two or three firkins apiece.
7 Jesus saith unto them, Fill the waterpots with water. And they filled them up to the brim.
8 And he saith unto them, Draw out now, and bear unto the governor of the feast. And they bare it.
9 When the ruler of the feast had tasted the water that was made wine, and knew not whence it was: (but the servants which drew the water knew;) the governor of the feast called the bridegroom,
10 And saith unto him, Every man at the beginning doth set forth good wine; and when men have well drunk, then that which is worse: but thou hast kept the good wine until now.
11 This beginning of miracles did Jesus in Cana of Galilee, and manifested forth his glory; and his disciples believed on him.
12 After this he went down to Capernaum , he, and his mother, and his brethren, and his disciples: and they continued there not many days.

The first cleaning of the Temple

13 And the Jews' passover was at hand, and Jesus went up to Jerusalem.
14 And found in the temple those that sold oxen and sheep and doves, and the changers of money sitting:
15 And when he had made a scourge of small cords, he drove them all out of the temple, and the sheep, and the oxen; and poured out the changers' money, and overthrew the tables;
16 And said unto them that sold doves, Take these things hence; make not my Father's house an house of merchandise.
17 And his disciples remembered that it was written, The zeal of thine house hath eaten me up.
18 Then answered the Jews and said unto him, What sign shewest thou unto us, seeing that thou doest these things?
19 Jesus answered and said unto them, Destroy this temple, and in three days I will raise it up.
20 Then said the Jews, Forty and six years was this temple in building, and wilt thou rear it up in three days?
21 But he spake of the temple of his body.
22 When therefore he was risen from the dead, his disciples remembered that he had said this unto them; and they believed the scripture, and the word which Jesus had said.
23 Now when he was in Jerusalem at the passover, in the feast day, many believed in his name, when they saw the miracles which he did.
24 But Jesus did not commit himself unto them, because he knew all men,
25 And needed not that any should testify of man: for he knew what was in man.

Note 1: mother = Mary

Events: The Wedding in Cana, The first cleaning of the Temple

Johannes 2

1En op den derden dag1) was er een bruiloft te Kana in Galilea;2) en de moeder van Jezus was aldaar.
2En Jezus was ook genood, en3) Zijn discipelen, tot de bruiloft.
3En als er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.
4Jezus zeide tot haar: Vrouw,4) wat heb Ik met5) u te doen? Mijn ure is nog niet6) gekomen.
5Zijn moeder zeide tot de dienaars: Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.
6En aldaar waren zes stenen watervaten gesteld, naar de reiniging der Joden,7) elk houdende twee of drie metreten.8)
7Jezus zeide tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe.
8En Hij zeide tot hen: Schept nu, en draagt het tot den hofmeester;9) en zij droegen het.
9Als nu de hofmeester het water, dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet, van waar de wijn was; maar de dienaren, die het water geschept hadden, wisten het), zo riep de hofmeester den bruidegom.
10En zeide tot hem: Alle man zet eerst10) den goeden wijn op, en wanneer men wel gedronken11) heeft, alsdan den minderen; maar gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard.
11Dit beginsel der12) tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en heeft Zijn heerlijkheid13) geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem.14)
12Daarna ging Hij af naar Kapernaum, Hij, en Zijn moeder, en Zijn broeders, en15) Zijn discipelen; en zij bleven aldaar niet vele dagen.
13En het pascha der Joden16) was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem.
14En Hij vond in den tempel, die ossen,17) en schapen, en duiven verkochten, en de wisselaars daar zittende.
15En een gesel van touwtjes gemaakt hebbende, dreef Hij ze18) allen uit den tempel, ook de schapen en de ossen; en het geld der19) wisselaren stortte Hij uit, en keerde de tafelen om.
16En Hij zeide tot degenen, die de duiven verkochten: Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis Mijns Vaders tot een huis van koophandel.
17En Zijn discipelen werden indachtig, dat er geschreven is: De ijver van Uw huis heeft mij verslonden.20)
18De Joden antwoordden dan, en zeiden tot Hem: Wat teken toont Gij ons, dat Gij deze21) dingen doet?
19Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt dezen tempel,22) en in drie dagen zal Ik denzelven oprichten.
20De Joden zeiden dan: Zes en veertig23) jaren is over dezen tempel gebouwd, en Gij, zult Gij dien in drie dagen oprichten?
21Maar Hij zeide dit van den tempel Zijns lichaams.24)
22Daarom, als Hij opgestaan was van de doden, werden Zijn discipelen gedachtig, dat Hij dit tot hen gezegd had, en zij geloofden de Schrift, en het woord, dat Jezus gesproken had.
23En als Hij te Jeruzalem was, op het pascha, in het feest, geloofden velen in25) Zijn Naam, ziende Zijn tekenen, die Hij deed.
24Maar Jezus Zelf betrouwde hun Zichzelven niet, omdat Hij hen allen kende,
25En omdat Hij niet van node had, dat iemand getuigen zou van den mens; want Hij Zelf wist, wat in26) den mens was.