Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: He was looked up to with reverence for h
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter to the Hebrews Chapter 11
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Now faith is the substance of things hoped for, the evidence of things not seen.
2 For by it the elders obtained a good report.
3 Through faith we understand that the worlds were framed by the word of God, so that things which are seen were not made of things which do appear.
4 By faith Abel offered unto God a more excellent sacrifice than Cain, by which he obtained witness that he was righteous, God testifying of his gifts: and by it he being dead yet speaketh.
5 By faith Enoch was translated that he should not see death; and was not found, because God had translated him: for before his translation he had this testimony, that he pleased God.
6 But without faith it is impossible to please him: for he that cometh to God must believe that he is, and that he is a rewarder of them that diligently seek him.
7 By faith Noah, being warned of God of things not seen as yet, moved with fear, prepared an ark to the saving of his house; by the which he condemned the world, and became heir of the righteousness which is by faith.
8 By faith Abraham, when he was called to go out into a place which he should after receive for an inheritance, obeyed; and he went out, not knowing whither he went.
9 By faith he sojourned in the land of promise, as in a strange country, dwelling in tabernacles with Isaac and Jacob, the heirs with him of the same promise:
10 For he looked for a city which hath foundations, whose builder and maker is God.
11 Through faith also Sara herself received strength to conceive seed, and was delivered of a child when she was past age, because she judged him faithful who had promised.
12 Therefore sprang there even of one, and him as good as dead, so many as the stars of the sky in multitude, and as the sand which is by the sea shore innumerable.
13 These all died in faith, not having received the promises, but having seen them afar off, and were persuaded of them, and embraced them, and confessed that they were strangers and pilgrims on the earth.
14 For they that say such things declare plainly that they seek a country.
15 And truly, if they had been mindful of that country from whence they came out, they might have had opportunity to have returned.
16 But now they desire a better country, that is, an heavenly: wherefore God is not ashamed to be called their God: for he hath prepared for them a city.
17 By faith Abraham, when he was tried, offered up Isaac: and he that had received the promises offered up his only begotten son
18 Of whom it was said,
That in Isaac shall thy seed be called:
19 Accounting that God was able to raise him up, even from the dead; from whence also he received him in a figure.
20 By faith Isaac blessed Jacob and Esau concerning things to come.
21 By faith Jacob, when he was a dying, blessed both the sons of Joseph; and worshipped, leaning upon the top of his staff.
22 By faith Joseph, when he died, made mention of the departing of the children of Israel; and gave commandment concerning his bones.
23 By faith Moses, when he was born, was hid three months of his parents, because they saw he was a proper child; and they were not afraid of the king's commandment.
24 By faith Moses, when he was come to years, refused to be called the son of Pharaoh's daughter.
25 Chosing rather to suffer affliction with the people of God, than to enjoy the pleasures of sin for a season;
26 Esteeming the reproach of Christ greater riches than the treasures in Egypt: for he had respect unto the recompence of the reward.
27 By faith he forsook Egypt, not fearing the wrath of the king: for he endured, as seeing him who is invisible.
28 Through faith he kept the passover, and the sprinkling of blood, lest he that destroyed the firstborn should touch them.
29 By faith they passed through the Red Sea as by dry land: which the Egyptians assaying to do were drowned.
30 By faith the walls of Jericho fell down, after they were compassed about seven days.
31 By faith the harlot Rahab perished not with them that believed not, when she had received the spies with peace.
32 And what shall I more say? for the time would fail me to tell of Gedeon, and of Barak, and of Samson, and of Jephthae; of David also, and Samuel, and of the prophets:
33 Who through faith subdued kingdoms, wrought righteousness, obtained promises, stopped the mouths of lions.
34 Quenched the violence of fire, escaped the edge of the sword, out of weakness were made strong, waxed valiant in fight, turned to flight the armies of the aliens.
35 Women received their dead raised to life again: and others were tortured, not accepting deliverance; that they might obtain a better resurrection:
36 And others had trial of cruel mockings and scourgings, yea, moreover of bonds and imprisonment:
37 They were stoned, they were sawn asunder, were tempted, were slain with the sword: they wandered about in sheepskins and goatskins; being destitute, afflicted, tormented;
38 (Of whom the world was not worthy:) they wandered in deserts, and in mountains, and in dens and caves of the earth.
39 And these all, having obtained a good report through faith, received not the promise:
40 God having provided some better thing for us, that they without us should not be made perfect.

Events: OT: Kain and Abel, OT: Noah

Hebrëen 11

1Het geloof nu is een vaste grond1) der dingen, die men hoopt, en een bewijs2) der zaken, die men niet ziet.3)
2Want door hetzelve hebben de ouden4) getuigenis bekomen.5)
3Door het geloof verstaan wij, dat de wereld6) door het woord Gods7) is toebereid,8) alzo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen,9) die gezien worden.
4Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande10) Gode geofferd dan Kain, door hetwelk hij11) getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was,12) alzo God over zijn gave getuigenis gaf;13) en door hetzelve geloof spreekt hij nog,14) nadat hij gestorven is.
5Door het geloof is Enoch weggenomen geweest,15) opdat hij den dood niet zou zien;16) en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had; want voor zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij Gode behaagde.17)
6Maar zonder geloof is het onmogelijk18) Gode te behagen. Want die tot God komt,19) moet geloven, dat Hij is,20) en een Beloner is dergenen,21) die Hem zoeken.22)
7Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden,23) en bevreesd geworden zijnde,24) de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld,25) en is geworden een erfgenaam26) der rechtvaardigheid, die naar het geloof is.
8Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde,27) gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats,28) die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou.
9Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte, als in een vreemd land, en heeft in tabernakelen gewoond29) met Izak en Jakob, die medeerfgenamen waren derzelfde belofte.30)
10Want hij verwachtte de stad,31) die fondamenten heeft,32) welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.33)
11Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen, om zaad te geven,34) en boven den tijd35) haars ouderdoms heeft zij gebaard; overmits zij Hem getrouw heeft geacht,36) Die het beloofd had.
12Daarom zijn ook van een, en dat een verstorvene,37) zovelen in menigte geboren, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is,38) hetwelk ontallijk is.
13Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende,39) maar hebben dezelve van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen40) op de aarde waren.
14Want die zulke dingen zeggen,41) betonen klaarlijk, dat zij een vaderland zoeken.42)
15En indien zij aan dat vaderland gedacht hadden, van hetwelk zij uitgegaan waren,43) zij zouden tijd gehad hebben, om weder te keren;
16Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God hunner niet,44) om hun God genaamd te worden;45) want Hij had hun een stad bereid.46)
17Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd,47) Izak geofferd,48) en hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd,49)
18(Tot denwelke gezegd was:50) In Izak zal u het zaad genoemd worden) overleggende,51) dat God machtig was, hem ook uit de doden te verwekken;
19Waaruit hij hem ook bij gelijkenis52) wedergekregen heeft.
20Door het geloof heeft Izak zijn zonen Jakob en Ezau53) gezegend aangaande toekomende dingen.
21Door het geloof heeft Jakob, stervende, een iegelijk der zonen van Jozef gezegend, en heeft aangebeden, leunende op het opperste van zijn staf.
22Door het geloof heeft Jozef, stervende, gemeld van den uitgang54) der kinderen Israels, en heeft bevel gegeven van zijn gebeente.55)
23Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijn ouders verborgen,56) overmits zij zagen, dat het kindeken schoon was; en zij vreesden57) het gebod des konings niet.
24Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde,58) geweigerd een zoon van Farao's dochter genoemd te worden;59)
25Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde60) te hebben;
26Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn,61) dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons.62)
27Door het geloof heeft hij Egypte verlaten,63) niet vrezende den toorn des konings; want hij hield zich vast,64) als ziende65) den Onzienlijke.66)
28Door het geloof heeft hij het pascha uitgericht, en de besprenging des bloeds,67) opdat de verderver der eerstgeborenen hen niet raken zou.68)
29Door het geloof zijn zij de Rode zee doorgegaan,69) als door het droge; hetwelk de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken.
30Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen,70) als zij tot zeven dagen toe omringd waren geweest.71)
31Door het geloof is Rachab, de hoer,72) niet omgekomen met de ongehoorzamen,73) als zij de verspieders met vrede had ontvangen.74)
32En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zou ik verhalen van Gideon, en Barak, en Samson, en Jeftha, en David, en Samuel, en de profeten;75)
33Welken door het geloof koninkrijken hebben overwonnen,76) gerechtigheid geoefend,77) de beloftenissen verkregen,78) de muilen der leeuwen toegestopt;79)
34De kracht des vuurs hebben uitgeblust,80) de scherpte des zwaards zijn ontvloden,81) uit zwakheid krachten hebben gekregen,82) in den krijg sterk geworden zijn,83) heirlegers der vreemden op de vlucht hebben gebracht;84)
35De vrouwen hebben hare doden85) uit de opstanding weder gekregen; en anderen zijn uitgerekt geworden,87) de aangeboden88) verlossing niet aannemende, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden.89)
36En anderen hebben bespottingen en geselen geproefd,90) en ook banden en gevangenis;
37Zijn gestenigd geworden,91) in stukken gezaagd,92) verzocht,93) door het zwaard ter dood gebracht;94) hebben gewandeld95) in schaapsvellen96) en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde;
38(Welker de wereld niet waardig was) 97)hebben in woestijnen gedoold, en op bergen, en in spelonken, en in holen der aarde.
39En deze allen,98) hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen;99)
40Alzo God wat beters over ons voorzien had,100) opdat zij101) zonder ons niet zouden volmaakt worden.102)