Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Thus utterly regardless of all law human
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter to the Hebrews Chapter 10
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 For the law having a shadow of good things to come, and not the very image of the things, can never with those sacrifices which they offered year by year continually make the comers thereunto perfect.
2 For then would they not have ceased to be offered? because that the worshippers once purged should have had no more conscience of sins.
3 But in those sacrifices there is a remembrance again made of sins every year.
4 For it is not possible that the blood of bulls and of goats should take away sins.
5 Wherefore when he cometh into the world, he saith, Sacrifice and offering thou wouldest not, but a body hast thou prepared me:
6 In burnt offerings and sacrifices for sin thou hast had no pleasure.
7 Then said I, Lo, I come (in the volume of the book it is written of me,) to do thy will, O God.
8 Above when he said, Sacrifice and offering and burnt offerings and offering for sin thou wouldest not, neither hadst pleasure therein; which are offered by the law;
9 Then said he, Lo, I come to do thy will, O God. He taketh away the first, that he may establish the second.
10 By the which will we are sanctified through the offering of the body of Jesus Christ once for all.
11 And every priest standeth daily ministering and offering oftentimes the same sacrifices, which can never take away sins:
12 But this man, after he had offered one sacrifice for sins for ever, sat down on the right hand of God;
13 From henceforth expecting till his enemies be made his footstool.
14 For by one offering he hath perfected for ever them that are sanctified.
15 Whereof the Holy Ghost also is a witness to us: for after that he had said before,
16 This is the covenant that I will make with them after those days, saith the Lord, I will put my laws into their hearts, and in their minds will I write them;
17 And their sins and iniquities will I remember no more.
18 Now where remission of these is, there is no more offering for sin.
19 Having therefore, brethren, boldness to enter into the holiest by the blood of Jesus,
20 By a new and living way, which he hath consecrated for us, through the veil, that is to say, his flesh;
21 And having an High Priest over the house of God;
22 Let us draw near with a true heart in full assurance of faith, having our hearts sprinkled from an evil conscience, and our bodies washed with pure water.
23 Let us hold fast the profession of our faith without wavering; (for he is faithful that promised;)
24 And let us consider one another to provoke unto love and to good works:
25 Not forsaking the assembling of ourselves together, as the manner of some is; but exhorting one another: and so much the more, as ye see the day approaching.
26 For if we sin wilfully after that we have received the knowledge of the truth, there remaineth no more sacrifice for sins,
27 But a certain fearful looking for of judgment and fiery indignation, which shall devour the adversaries.
28 He that despised Moses ' law died without mercy under two or three witnesses:
29 Of how much sorer punishment, suppose ye, shall he be thought worthy, who hath trodden under foot the son of God, and hath counted the blood of the covenant, wherewith he was sanctified, an unholy thing, and hath done despite unto the Spirit of grace?
30 For we know him that hath said, Vengeance belongeth unto me, I will recompense, saith the Lord. And again, The Lord shall judge his people.
31 It is a fearful thing to fall into the hands of the living God.
32 But call to remembrance the former days, in which, after ye were illuminated, ye endured a great fight of afflictions;
33 Partly, whilst ye were made a gazingstock both by reproaches and afflictions; and partly, whilst ye became companions of them that were so used.
34 For ye had compassion of me in my bonds, and took joyfully the spoiling of your goods, knowing in yourselves that ye have in heaven a better and an enduring substance.
35 Cast not away therefore your confidence, which hath great recompence of reward.
36 For ye have need of patience, that, after ye have done the will of God, ye might receive the promise.
37 For yet a little while, and he that shall come will come, and will not tarry.
38 Now the just shall live by faith: but if any man draw back, my soul shall have no pleasure in him.
39 But we are not of them who draw back unto perdition; but of them that believe to the saving of the soul.

Hebrëen 10

1Want de wet, hebbende een schaduw der toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan.
2Anderszins zouden zij opgehouden hebben, geofferd te worden, omdat degenen, die den dienst pleegden, geen geweten meer zouden hebben der zonden, eenmaal gereinigd geweest zijnde;
3Maar nu geschiedt in dezelve alle jaren weder gedachtenis der zonden.
4Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme.
5Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid;
6Brandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd.
7Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin des boeks is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God!
8Als Hij te voren gezegd had: Slachtoffer, en offerande, en brandoffers, en offer voor de zonde hebt Gij niet gewild, noch hebben U behaagd (dewelke naar de wet geofferd worden);
9Toen sprak Hij: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God! Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen.
10In welken wil wij geheiligd zijn, door de offerande des lichaams van Jezus Christus, eenmaal geschied.
11En een iegelijk priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slachtofferen1) dikmaals offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen;
12Maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende,2) is in eeuwigheid gezeten3) aan de rechter hand Gods;
13Voorts verwachtende,4) totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten.
14Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen,5) die geheiligd worden.
15En de Heilige Geest6) getuigt het ons ook;7)
16Want nadat Hij te voren gezegd had: Dit is het verbond, dat Ik met hen maken zal na die dagen, zegt de Heere:8) Ik zal Mijn wetten geven in hun harten, en Ik zal die inschrijven in hun verstanden;
17En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik geenszins meer gedenken.
18Waar nu vergeving derzelve is, daar is geen offerande meer9) voor de zonde.
19Dewijl wij dan,10) broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan11) in het heiligdom door het bloed van Jezus,
20Op een versen en12) levenden13) weg,14) welken Hij ons ingewijd heeft15) door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees;16)
21En dewijl wij hebben een groten Priester over het huis Gods;17)
22Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart,18) in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten19) gereinigd zijnde20) van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen21) zijnde met rein water.22)
23Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop23) vast houden; (want Die het beloofd heeft, is getrouw);25)
24En laat ons op elkander acht nemen,26) tot opscherping der liefde en der goede werken;
25En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten,27) gelijk sommigen de gewoonte hebben,28) maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert.
26Want zo wij willens zondigen,29) nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over30) voor de zonden;
27Maar een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs, dat de tegenstanders31) zal verslinden.
28Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan,32) die sterft zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen;
29Hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zoon van God vertreden heeft,33) en het bloed des testaments34) onrein geacht heeft,35) waardoor hij geheiligd was,36) en den Geest der genade37) smaadheid heeft aangedaan?
30Want wij kennen Hem, Die gezegd heeft:38) Mijn is de wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En wederom: De Heere zal Zijn volk oordelen.
31Vreselijk is het te vallen in de handen39) des levenden Gods.
32Doch gedenkt de vorige dagen, in dewelke, nadat gij verlicht zijt geweest,40) gij veel strijd des lijdens hebt verdragen.
33Ten dele, als gij door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden zijt;41) en ten dele, als gij gemeenschap gehad hebt42) met degenen, die alzo behandeld werden.
34Want gij hebt ook over mijn banden medelijden gehad,43) en de roving uwer goederen met blijdschap aangenomen,44) wetende, dat gij hebt in uzelven45) een beter en blijvend goed in de hemelen.
35Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg,46) welke een grote vergelding des loons heeft.47)
36Want gij hebt lijdzaamheid van node,48) opdat gij, den wil van God gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen;49)
37Want: Nog een zeer weinig tijds50) en Hij, Die te komen staat,51) zal komen, en niet vertoeven.
38Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven;52) en zo iemand zich onttrekt,53) Mijn ziel heeft in hem geen behagen.
39Maar wij zijn niet54) van degenen,55) die zich onttrekken ten verderve, maar van degenen, die geloven56) tot behouding57) der ziel.58)