Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: All I can say is this, that neither in A
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter to the Hebrews Chapter 4
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Let us therefore fear, lest, a promise being left us of entering into his rest, any of you should seem to come short of it.
2 For unto us was the gospel preached as well as unto them: but the word preached did not profit them, not being mixed with faith in them that heard it.
3 For we which have believed do enter into rest, as he said, As I have sworn in my wrath, if they shall enter into my rest: although the works were finished from the foundation of the world.
4 For he spake in a certain place of the seventh day on this wise, And God did rest the seventh day from all his works.
5 And in this place again, If they shall enter into my rest.
6 Seeing therefore it remaineth that some must enter therein, and they to whom it was first preached entered not in because of unbelief:
7 Again, he limiteth a certain day, saying in David, To day, after so long a time; as it is said, To day if ye will hear his voice, harden not your hearts.
8 For if Jesus had given them rest, then would he not afterward have spoken of another day.
9 There remaineth therefore a rest to the people of God.
10 For he that is entered into his rest, he also hath ceased from his own works, as God did from his.
11 Let us labour therefore to enter into that rest, lest any man fall after the same example of unbelief.
12 For the word of God is quick, and powerful, and sharper than any twoedged sword, piercing even to the dividing asunder of soul and spirit, and of the joints and marrow, and is a discerner of the thoughts and intents of the heart.
13 Neither is there any creature that is not manifest in his sight: but all things are naked and opened unto the eyes of him with whom we have to do.
14 Seeing then that we have a great high priest, that is passed into the heavens, Jesus the son of God, let us hold fast our profession.
15 For we have not an high priest which cannot be touched with the feeling of our infirmities; but was in all points tempted like as we are, yet without sin.
16 Let us therefore come boldly unto the throne of grace, that we may obtain mercy, and find grace to help in time of need.

Hebrëen 4

1Laat ons dan vrezen,1) dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde,2) iemand van u schijne achtergebleven te zijn.3)
2Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun;4) maar het woord der prediking5) deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was6) in degenen, die het gehoord hebben.
3Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust,7) gelijk Hij gezegd heeft:8) Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn: Indien zij zullen ingaan9) in Mijn rust! hoewel Zijn werken10) van de grondlegging der wereld af al volbracht waren.11)
4Want Hij heeft ergens van den zevenden dag aldus gesproken: En God heeft op den zevenden dag van al Zijn werken13) gerust.14)
5En in deze plaats15) wederom: Indien zij in Mijn rust zullen ingaan!
6Dewijl dan blijft,16) dat sommigen in dezelve rust ingaan, en degenen, dien het Evangelie eerst verkondigd was,17) niet ingegaan zijn vanwege de ongehoorzaamheid,
7Zo bepaalt Hij wederom een zekeren dag, namelijk heden, door David zeggende,19) zo langen tijd daarna20) (gelijkerwijs gezegd is): Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet.
8Want indien Jozua hen21) in de rust gebracht heeft,22) zo had Hij daarna niet gesproken van een anderen dag.
9Er blijft dan een rust over23) voor het volk Gods.24)
10Want die ingegaan25) is in zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken gerust, gelijk God van de Zijne.
11Laat ons dan ons benaarstigen, om in die rust in te gaan;26) opdat niet iemand in hetzelfde voorbeeld27) der ongelovigheid valle.28)
12Want het Woord Gods29) is levend en krachtig,30) en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard,31) en gaat door tot de verdeling der ziel32), en des geestes, en der samenvoegselen,33) en des mergs, en is een oordeler der gedachten34) en der overleggingen des harten.
13En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem;35) maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Desgenen,36) met Welken wij te doen hebben.37)
14Dewijl wij dan38) een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen39) doorgegaan is,40) namelijk Jezus, den Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.41)
15Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen,42) gelijk als wij,43) is verzocht geweest, doch zonder zonde.
16Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade,44) opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden45) ter bekwamer tijd.46)