Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Buried in the shades of his gardens, lik
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Acts chapter 180
Next chapter
Return to index
Previous chapter
Paul in Corinth

1 After these things Paul departed from Athens, and came to Corinth
2 And found a certain Jew named Aquila, born in Pontus, lately come from Italy, with his wife Priscilla; (because that Claudius had commanded all Jews to depart from Rome) and came unto them.
3 And because he was of the same craft, he abode with them, and wrought: for by their occupation they were tentmakers.
4 And he reasoned in the synagogue every sabbath, and persuaded the Jews and the Greeks.
5 And when Silas and Timotheus were come from Macedonia, Paul was pressed in the spirit, and testified to the Jews that Jesus was Christ.
6 And when they opposed themselves, and blasphemed, he shook his raiment, and said unto them, Your blood be upon your own heads; I am clean; from henceforth I will go unto the Gentiles.
7 And he departed thence, and entered into a certain man's house, named Justus, one that worshipped God, whose house joined hard to the synagogue.
8 And Crispus, the chief ruler of the synagogue, believed on the Lord with all his house; and many of the Corinthians hearing believed, and were baptized.
9 Then spake the Lord to Paul in the night by a vision, Be not afraid, but speak, and hold not thy peace:
10 For I am with thee, and no man shall set on thee to hurt thee: for I have much people in this city.
11 And he continued there a year and six months, teaching the word of God among them.
12 And when Gallio was the deputy of Achaia, the Jews made insurrection with one accord against Paul, and brought him to the judgment seat,
13 Saying, This fellow persuadeth men to worship God contrary to the law.
14 And when Paul was now about to open his mouth, Gallio said unto the Jews, If it were a matter of wrong or wicked lewdness, O ye Jews, reason would that I should bear with you:
15 But if it be a question of words and names, and of your law, look ye to it; for I will be no judge of such matters.
16 And he drave them from the judgment seat.
17 Then all the Greeks took Sosthenes, the chief ruler of the synagogue, and beat him before the judgment seat. And Gallio cared for none of those things.

Paul travels to Judea

18 And Paul after this tarried there yet a good while, and then took his leave of the brethren, and sailed thence into Syria, and with him Priscilla and Aquila; having shorn his head in Cenchrea: for he had a vow.
19 And he came to Ephesus, and left them there: but he himself entered into the synagogue, and reasoned with the Jews.
20 When they desired him to tarry longer time with them, he consented not;
21 But bade them farewell, saying, I must by all means keep this feast that cometh in Jerusalem: but I will return again unto you, if God will. And he sailed from Ephesus.
22 And when he had landed at Caesarea, and gone up, and saluted the Church, he went down to Antioch
23 And after he had spent some time there, he departed, and went over all the country of Galatia and Phrygia in order, strengthening all the disciples.
24 And a certain Jew named Apollos, born at Alexandria, an eloquent man, and mighty in the scriptures, came to Ephesus.
25 This man was instructed in the way of the Lord; and being fervent in the spirit, he spake and taught diligently the things of the Lord, knowing only the baptism of John.
26 And he began to speak boldly in the synagogue: whom when Aquila and Priscilla had heard, they took him unto them, and expounded unto him the way of God more perfectly.
27 And when he was disposed to pass into Achaia, the brethren wrote, exhorting the disciples to receive him: who, when he was come, helped them much which had believed through grace:
28 For he mightily convinced the Jews, and that publickly, shewing by the scriptures that Jesus was Christ.

Events: Paul in Corinth, Claudius banishes the Jews from Rome, Paul travels to Judea

Handelingen 18

1En na dezen scheidde Paulus van Athene en kwam te Korinthe;1)
2En vond een zekeren Jood, met name Aquila, van geboorte2) uit Pontus, die3) onlangs van Italie gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw, (omdat Claudius4) bevolen had,5) dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen;
3En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en wrocht; want zij waren tentenmakers6) van handwerk.
4En hij handelde op7) elken sabbat in de synagoge, en bewoog tot8) het geloof Joden en Grieken.
5En als Silas en Timotheus van Macedonie afgekomen waren, werd Paulus door den Geest9) gedrongen,10) betuigende11) den Joden, dat Jezus is de Christus.12)
6Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij13) zijn klederen af, en zeide tot hen: Uw bloed zij14) op uw hoofd; ik ben rein;15) en van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan.
7En van daar gegaan zijnde, kwam hij in het huis van een man, met name Justus, die God diende,16) wiens huis paalde aan17) de synagoge.
8En Crispus,18) de overste der19) synagoge, geloofde aan den Heere met geheel zijn huis; en velen van de Korinthiers, hem horende, geloofden, en werden gedoopt.
9En de Heere zeide tot Paulus door een gezicht in den nacht: Zijt niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet.20)
10Want Ik ben met u, en21) niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; want Ik heb veel volks in22) deze stad.
11En hij onthield zich23) aldaar een jaar en zes maanden, lerende onder hen het Woord Gods.
12Maar als Gallio24) stadhouder25) van Achaje was,26) stonden de Joden eendrachtelijk tegen Paulus op, en brachten hem voor den rechterstoel.
13Zeggende: Deze raadt den mensen aan, dat zij God zouden dienen tegen de wet.27)
14En als Paulus zijn mond28) zou opendoen, zeide Gallio tot de Joden: Zo er enig ongelijk, of kwaad stuk29) begaan ware, o Joden, zo zou ik met reden ulieden30) verdragen;31)
15Maar indien er geschil is over een woord, en32) namen, en over33) de wet, die onder u is, zo zult gij zelven toezien; want ik wil over deze dingen geen rechter zijn.
16En hij dreef hen weg34) van den rechterstoel.
17Maar al de Grieken namen35) Sosthenes,36) den overste der synagoge, en sloegen hem voor den rechterstoel; en Gallio trok zich geen37) van deze dingen aan.
18En als Paulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid38) van de broederen, en scheepte van daar naar Syrie;39) en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd40) te Kenchreen41) geschoren hebbende;42) want hij had een gelofte gedaan.43)
19En hij kwam te Efeze aan, en liet hen44) aldaar; maar45) hij ging in de synagoge, en handelde met de Joden.
20En als zij baden, dat hij langer bij hen46) blijven zoude, bewilligde hij het niet.
21Maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet ganselijk het47) toekomende feest te Jeruzalem48) houden; doch ik zal tot u wederkeren, zo God wil. En hij voer weg van Efeze.49)
22En als hij te Cesarea50) was gekomen, ging hij op naar Jeruzalem, en de Gemeente gegroet hebbende, ging hij af naar Antiochie.51)
23En als hij aldaar enige tijd geweest was,52) ging hij weg, en doorreisde vervolgens het53) land van Galatie en Frygie, versterkende al de discipelen.
24En een zeker Jood, met name Apollos, van geboorte een Alexandrier, een welsprekend man,54) kwam te Efeze, machtig zijnde55) in de Schriften.
25Deze was in den weg56) des Heeren onderwezen; en57) vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken des Heeren, wetende alleenlijk den doop van58) Johannes.
26En deze begon vrijmoediglijk te spreken in de synagoge. En als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en legden hem den weg Gods59) bescheidenlijker uit.60)
27En als hij wilde naar Achaje61) reizen, de broeders, hem vermaand hebbende,62) schreven aan de discipelen, dat zij hem ontvangen zouden; welke, daar gekomen zijnde, heeft veel toegebracht63) aan degenen, die geloofden door de genade.64)
28Want hij overtuigde de Joden met groten ernst65) in het openbaar, bewijzende door de Schriften, dat Jezus de Christus was.