Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: There was a firm persuasion, that in the
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Second letter of Paul to the Corinthians Chapter 2
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 But I [Note 1] determined this with myself, that I would not come again to you in heaviness.
2 For if I make you sorry, who is he then that maketh me glad, but the same which is made sorry by me?
3 And I wrote this same unto you, lest, when I came, I should have sorrow from them of whom I ought to rejoice; having confidence in you all, that my joy is the joy of you all.
4 For out of much affliction and anguish of heart I wrote unto you with many tears; not that ye should be grieved, but that ye might know the love which I have more abundantly unto you.
5 But if any have caused grief, he hath not grieved me, but in part: that I may not overcharge you all.
6 Sufficient to such a man is this punishment, which was inflicted of many.
7 So that contrariwise ye ought rather to forgive him, and comfort him, lest perhaps such a one should be swallowed up with overmuch sorrow.
8 Wherefore I beseech you that ye would confirm your love toward him.
9 For to this end also did I write, that I might know the proof of you, whether ye be obedient in all things.
10 To whom ye forgive any thing, I forgive also: for if I forgave any thing, to whom I forgave it, for your sakes forgave I it in the person of Christ;
11 Lest Satan should get an advantage of us: for we are not ignorant of his devices.
12 Furthermore, when I came to Troas to preach Christ's gospel, and a door was opened unto me of the Lord,
13 I had no rest in my spirit, because I found not Titus my brother: but taking my leave of them, I went from thence into Macedonia.
14 Now thanks be unto God, which always causeth us to triumph in Chrisst, and maketh manifest the savour of his knowledge by us in every place.
15 For we are unto God a sweet savour of Christ, in them that are saved, and in them that perish:
16 To the one we are the savour of death unto death; and to the other the savour of life unto life. And who is sufficient for these things?
17 For we are not as many, which corrupt the word of God: but as of sincerity, but as of God, in the sight of God speak we in Christ.

Note 1: I = Paul

2 Korinthiërs 2

1Maar ik heb dit bij mijzelven voorgenomen, dat ik niet wederom in droefheid tot1) u komen zou.
2Want indien ik ulieden2) bedroef, wie is het toch, die mij zal vrolijk maken, dan degene, die van mij bedroefd is geworden?
3En ditzelfde heb3) ik u geschreven,4) opdat ik, daar komende, niet zou droefheid hebben van degenen, van5) welke ik moest verblijd worden; vertrouwende van u allen, dat mijn blijdschap uw aller blijdschap is.
4Want ik heb ulieden uit vele verdrukking en7) benauwdheid des harten, met vele tranen geschreven, niet opdat gij zoudt bedroefd worden, maar opdat gij de liefde zoudt8) verstaan, die ik overvloediglijk tot u heb.
5Doch indien iemand bedroefd heeft, die heeft niet mij bedroefd, maar9) ten dele (opdat10) ik hem niet bezware) ulieden allen.
6Den zodanige is deze bestraffing genoeg,11) die van velen geschied is.
7Alzo dat gij daarentegen hem liever moet vergeven en12) vertroosten, opdat de zodanige door al te overvloedige droefheid niet enigszins worde verslonden.13)
8Daarom bid ik u, dat gij de liefde aan hem15) bevestigt.
9Want daartoe heb ik ook geschreven, opdat ik uw beproeving mocht verstaan, of gij in alles gehoorzaam zijt.17)
10Dien gij nu iets vergeeft, dien vergeef18) ik ook; want zo ik ook iets vergeven heb, dien ik vergeven heb, heb ik het vergeven om uwentwil,19) voor het aangezicht van20) Christus, opdat de satan over ons geen21) voordeel krijge;
11Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend.
12Voorts, als ik te Troas kwam23), om het Evangelie van Christus te prediken, en als mij een deur geopend was in den Heere, zo heb ik geen rust gehad25) voor mijn geest, omdat ik Titus, mijn broeder, niet vond;
13Maar, afscheid van hen genomen hebbende, vertrok ik naar Macedonie.
14En Gode zij dank, Die ons allen tijd doet26) triomferen27) in Christus, en28) den reuk Zijner29) kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen.
15Want wij zijn Gode een goede reuk van30) Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan;
16Dezen wel een reuk des doods ten dode;31) maar genen een reuk des levens ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam?32)
17Want wij dragen niet,33) gelijk velen, het Woord Gods te koop, maar als uit oprechtheid, maar als uit God, in de34) tegenwoordigheid Gods, spreken wij het in Christus.35)