Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: This I regard as history's highest funct
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

First letter of Paul to the Corinthians. Chapter 8
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Now as touching things offered unto idols, we know that we all have knowledge. Knowledge puffeth up, but charity edifieth.
2 And if any man think that he knoweth any thing, he knoweth nothing yet as he ought to know.
3 But if any man love God, the same is known of him.
4 As concerning therefore the eating of those things that are offered in sacrifice unto idols, we know that an idol is nothing in the world, and that there is none other God but one.
5 For though there be that are called gods, whether in heaven or in earth, (as there be gods many, and lords many,)
6 But to us there is but one God, the Father, of whom are all things, and we in him; and one Lord Jesus Christ, by whom are all things, and we by him.
7 Howbeit there is not in every man that knowledge: for some with conscience of the idol unto this hour eat it as a thing offered unto an idol; and their conscience being weak is defiled.
8 But meat commendeth us not to God: for neither, if we eat, are we the better; neither, if we eat not, are we the worse.
9 But take heed lest by any means this liberty of your's become a stumbling block to them that are weak.
10 For if any man see thee which hast knowledge sit at meat in the idol's temple, shall not the conscience of him which is weak be emboldened to eat those things which are offered to idols;
11 And through thy knowledge shall the weak brother perish, for whom Christ died?
12 But when ye sin so against the brethren, and wound their weak conscience, ye sin against Christ.
13 Wherefore, if meat make my brother to offend, I will eat no flesh while the world standeth, lest I make my brother to offend.

1 Korinthiërs 8

1Aangaande nu de dingen, die den afgoden1) geofferd zijn, wij weten, dat wij allen te zamen kennis hebben. De kennis maakt opgeblazen, maar3) de liefde sticht.4)
2En zo iemand meent iets5) te weten, die heeft nog niets gekend, gelijk men behoort te kennen.
3Maar zo iemand God liefheeft,6) die is van Hem gekend.7)
4Aangaande dan het eten der dingen, die den afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de8) wereld, en dat er geen ander God is dan een.
5Want hoewel er ook zijn, die goden genaamd9) worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden10) en vele heren zijn),
6Nochtans hebben wij maar een God,11) den Vader, uit Welken alle12) dingen zijn, en wij tot Hem; en13) maar een Heere,14) Jezus Christus, door Welken alle dingen zijn, en wij door Hem.16)
7Doch in allen is de kennis17) niet; maar sommigen, met een geweten des afgods tot nog toe, eten als iets dat den afgoden geofferd is; en hun geweten, zwak zijnde, wordt bevlekt.20)
8De spijze nu21) maakt ons Gode niet aangenaam; want hetzij dat wij eten, wij hebben geen overvloed;22) en hetzij dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek.
9Maar ziet toe, dat deze uw macht niet enigerwijze een aanstoot24) worde dengenen, die zwak zijn.
10Want zo iemand u, die de kennis25) hebt, ziet in der afgoden26) tempel aanzitten, zal het geweten deszelven, die zwak is, niet gestijfd worden27), om te eten de28) dingen, die den afgoden geofferd zijn?
11En zal de broeder, die zwak is, door uw kennis verloren gaan30), om welken31) Christus gestorven is?32)
12Doch gijlieden, alzo tegen de broeders zondigende, en hun zwak geweten kwetsende, zondigt33) tegen Christus.34)
13Daarom, indien de spijs mijn broeder ergert, zo zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijn broeder niet ergere.