Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Poor for many years and suddenly growing
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

First letter of Paul to the Corinthians Chapter 16
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Now concerning the collection for the saints, as I have given order to the Churches of Galatia, even so do ye.
2 Upon the first day of the week let every one of you lay by him in store, as God hath prospered him, that there be no gatherings when I come.
3 And when I come, whomsoever ye shall approve by your letters, them will I send to bring your liberality unto Jerusalem.
4 And if it be meet that I go also, they shall go with me.
5 Now I will come unto you, when I shall pass through Macedonia: for I do pass through Macedonia.
6 And it may be that I will abide, yea, and winter with you, that ye may bring me on my journey whithersoever I go.
7 For I will not see you now by the way; but I trust to tarry a while with you, if the Lord permit.
8 But I will tarry at Ephesus until Pentecost.
9 For a great door and effectual is opened unto me, and there are many adversaries.
10 Now if Timotheus come, see that he may be with you without fear: for he worketh the work of the Lord, as I also do.
11 Let no man therefore despise him: but conduct him forth in peace, that he may come unto me: for I look for him with the brethren.
12 As touching our brother Apollos, I greatly desired him to come unto you with the brethren: but his will was not at all to come at this time; but he will come when he shall have convenient time.
13 Watch ye, stand fast in the faith, quit you like men, be strong.
14 Let all your things be done with charity.
15 I beseech you, brethren, (ye know the house of Stephanas, that it is the firstfruits of Achaia, and that they have addicted themselves to the ministry of the saints,)
16 That ye submit yourselves unto such, and to every one that helpeth with us, and laboureth.
17 I am glad of the coming of Stephanas and Fortunatus and Achaicus: for that which was lacking on your part they have supplied.
18 For they have refreshed my spirit and your's: therefore acknowledge ye them that are such.
19 The Churches of Asia salute you. Aquila and Priscilla salute you much in the Lord, with the Church that is in their house.
20 All the brethren greet you. Greet ye one another with an holy kiss.
21 The salutation of me Paul with mine own hand.
22 If any man love not the Lord Jesus Christ, let him be Anathema; Maranatha
23 The grace of our Lord Jesus Christ be with you.
24 My love be with you all in Christ Jesus. Amen.

1 Korinthiërs 16

1Aangaande nu de verzameling1), die voor de heiligen2) geschiedt, gelijk als ik aan de Gemeente3)n in Galatie verordend heb, doet ook gij alzo.5)
2Op elken eersten dag6) der week, legge7) een iegelijk van u iets bij zichzelven9) weg, vergaderende een schat,10) naar dat hij welvaren verkregen11) heeft; opdat de verzamelingen alsdan niet eerst12) geschieden, wanneer ik gekomen zal zijn.
3En wanneer ik daar zal gekomen zijn, zal ik hen, die gij zult bekwaam13) achten door brieven, zenden, om uw gave naar Jeruzalem15) over te dragen.
4En indien het der moeite waardig mocht zijn,16) dat ik ook zelf17) reizen zou, zo zullen zij met mij reizen.
5Doch ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonie18) zal doorgegaan zijn, (want ik zal door Macedonie gaan);
6En ik zal mogelijk bij u19) blijven, of ook overwinteren,20) opdat gij mij moogt geleiden21), waar ik zal henenreizen.
7Want ik wil u nu niet zien in het voorbijgaan,23) maar ik hoop enigen tijd bij u te blijven, indien het de24) Heere zal toelaten.
8Maar ik zal te Efeze25) blijven tot den pinkster dag.
9Want mij is een grote en krachtige27) deur geopend,28) en er zijn vele tegenstanders.29)
10Zo nu Timotheus30) komt, ziet, dat hij buiten vreze bij u zij; want hij werkt het werk des32) Heeren, gelijk als ik.33)
11Dat hem dan niemand verachte; maar geleidt hem in vrede, opdat35) hij tot mij kome; want ik verwacht hem met de broederen.
12En wat aangaat Apollos,36) den broeder, ik heb hem zeer37) gebeden, dat hij met de broederen tot u komen zou; maar het was ganselijk zijn39) wil niet, dat hij nu zou komen; doch hij zal komen, wanneer het hem wel gelegen zal zijn.
13Waakt,40) staat in het geloof,41) houdt u mannelijk,42) zijt sterk.43)
14Dat al uw dingen in de liefde geschieden.
15En ik bid u, broeders, gij kent het huis van45) Stefanas,46) dat het is de eersteling van47) Achaje, en dat zij zichzelven den heiligen ten48) dienst hebben geschikt;49)
16Dat gij ook u aan de zodanigen onderwerpt,50) en aan een iegelijk, die medewerkt en51) arbeidt.
17En ik verblijde mij over de aankomst van Stefanas, en Fortunatus, en Achaikus, want dezen hebben vervuld hetgeen mij aan u ontbrak;
18Want zij hebben mijn geest verkwikt, en53) ook den uwen.54) Erkent dan de55) zodanigen.
19U groeten de Gemeenten van Azie.56) U groeten zeer in den Heere Aquila57) en Priscilla, met de Gemeente,58) die te hunnen huize is.
20U groeten al de broeders. Groet elkander met een heiligen kus.
21De groetenis met mijn hand van Paulus.
22Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maran-atha!
23De genade van den63) Heere Jezus Christus zij met u.
24Mijn liefde zij met u allen in Christus Jezus. Amen.