Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: All I can say is this, that neither in A
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

First letter of Paul to the Corinthians Chapter 13
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Though I [Note 1] speak with the tongues of men and of angels, and have not charity, I am become as sounding brass, or a tinkling cymbal.
2 And though I have the gift of prophecy, and understand all mysteries, and all knowledge; and though I have all faith, so that I could remove mountains, and have not charity, I am nothing.
3 And though I bestow all my goods to feed the poor, and though I give my body to be burned, and have not charity, it profiteth me nothing.
4 Charity suffereth long, and is kind; charity envieth not; charity vaunteth not itself, is not puffed up,
5 Doth not behave itself unseemly, seeketh not her own, is not easily provoked, thinketh no evil;
6 Rejoiceth not in iniquity, but rejoiceth in the truth;
7 Beareth all things, believeth all things, hopeth all things, endureth all things.
8 Charity never faileth: but whether there be prophecies, they shall fail; whether there be tongues, they shall cease; whether there be knowledge, it shall vanish away.
9 For we know in part, and we prophesy in part.
10 But when that which is perfect is come, then that which is in part shall be done away.
11 When I was a child, I spake as a child, I understood as a child, I thought as a child: but when I became a man, I put away childish things.
12 For now we see through a glass, darkly; but then face to face: now I know in part; but then shall I know even as also I am known.
13 And now abideth faith, hope, charity, these three; but the greatest of these is charity.

Note 1: I = Paul

1 Korinthiërs 13

1Al ware het, dat ik de talen1) der mensen en der2) engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend4) metaal, of luidende schel geworden.
2En al ware het dat ik de gave der profetie had6), en wist al de verborgenheden7) en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik8) bergen verzette, en de liefde9) niet had, zo ware ik niets.10)
3En al ware het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud11) der armen uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden,12) en had de liefde niet,13) zo zou het mij geen nuttigheid geven.
4De liefde is15) lankmoedig, zij is16) goedertieren;17) de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardigl18)ijk, zij is niet opgeblazen;19)
5Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelve niet,21) zij wordt niet verbitterd, zij22) denkt geen kwaad;23)
6Zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar24) zij verblijdt zich in de waarheid;25)
7Zij bedekt alle dingen,26) zij gelooft alle dingen,27) zij hoopt alle dingen,28) zij verdraagt alle dingen.29)
8De liefde vergaat30) nimmermeer; maar31) hetzij profetieen, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij34) zullen ophouden;35) hetzij kennis, zij zal36) te niet gedaan worden.
9Want wij kennen37) ten dele, en38) wij profeteren ten dele;
10Doch wanneer het volmaakte39) zal gekomen zijn,40) dan zal hetgeen ten dele is,41) te niet gedaan worden.
11Toen ik een kind was,42) sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind,43) overlegde ik als een kind;44) maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was.45)
12Want wij zien nu52) door een46) spiegel47) in een duistere rede,48) maar alsdan zullen wij zien50) aangezicht tot aangezicht;51) nu ken ik ten dele, maar53) alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.55)
13En nu blijft geloof, hoop57) en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.58)