Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: The more common report is that Remus con
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

First letter of Paul to the Corinthians. Chapter 2
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 And I [Note 1], brethren, when I came to you, came not with excellency of speech or of wisdom, declaring unto you the testimony of God.
2 For I determined not to know any thing among you, save Jesus Christ, and him crucified.
3 And I was with you in weakness, and in fear, and in much trembling.
4 And my speech and my preaching was not with enticing words of man's wisdom, but in demonstration of the Spirit and of power:
5 That your faith should not stand in the wisdom of men, but in the power of God.
6 Howbeit we speak wisdom among them that are perfect: yet not the wisdom of this world, nor of the princes of this world, that come to nought:
7 But we speak the wisdom of God in a mystery, even the hidden wisdom, which God ordained before the world unto our glory:
8 Which none of the princes of this world knew: for had they known it, they would not have crucified the Lord of glory.
9 But as it is written, Eye hath not seen, nor ear heard, neither have entered into the heart of man, the things which God hath prepared for them that love him.
10 But God hath revealed them unto us by his Spirit: for the Spirit searcheth all things, yea, the deep things of God.
11 For what man knoweth the things of a man, save the spirit of man which is in him? even so the things of God knoweth no man, but the Spirit of God.
12 Now we have received, not the spirit of the world, but the spirit which is of God; that we might know the things that are freely given to us of God.
13 Which things also we speak, not in the words which man's wisdom teacheth, but which the Holy Ghost teacheth; comparing spiritual things with spiritual.
14 But the natural man receiveth not the things of the Spirit of God: for they are foolishness unto him: neither can he know them, because they are spiritually discerned.
15 But he that is spiritual judgeth all things, yet he himself is judged of no man.
16 For who hath known the mind of the Lord, that he may instruct him? but we have the mind of Christ.

Note 1: I = Paul

1 Korinthiërs 2

1En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben niet gekomen met uitnemendheid1) van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis2) van God.
2Want ik heb niet voorgenomen3) iets te weten4) onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.5)
3En ik was bij ulieden in zwakheid,6) en in vreze, en in vele beving.
4En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des7) geestes en der kracht;
5Opdat uw geloof niet zou zijn8) in wijsheid der9) mensen, maar in de kracht10) Gods.
6En wij spreken wijsheid onder11) de volmaakten;12) doch een wijsheid, niet dezer wereld,13) noch der oversten14) dezer wereld, die te niet worden;
7Maar wij spreken de wijsheid Gods,16) bestaande in verborgenheid,17) die bedekt was, welke God18) te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was;
8Welke niemand van20) de oversten dezer wereld gekend heeft; want indien zij ze gekend hadden, zo zouden zij den Heere der21) heerlijkheid niet gekruist hebben.
9Maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des22) mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben.
10Doch God heeft het ons geopenbaard23) door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle25) dingen, ook de diepten Gods.26)
11Want wie van de mensen weet, hetgeen des mensen is, dan de geest des27) mensen, die in hem is? Alzo weet ook niemand, hetgeen Gods is, dan de Geest Gods.
12Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld,29) maar den Geest, Die uit God is,30) opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn;31)
13Dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden,32) die de Heilige Geest33) leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.34)
14Maar de natuurlijke mens35) begrijpt niet de36) dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet38) verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.39)
15Doch de geestelijke mens40) onderscheidt wel alle dingen, maar41) hij zelf wordt van niemand42) onderscheiden.43)
16Want wie heeft den zin des Heeren44) gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben den zin van Christus.45)