Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: There was a firm persuasion, that in the
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

First letter of Paul to the Corinthians. Chapter 1
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Paul called to be an apostle of Jesus Christ through the will of God, and Sosthenes our brother,
2 Unto the Church of God which is at Corinth, to them that are sanctified in Christ Jesus, called to be saints, with all that in every place call upon the name of Jesus Christ our Lord, both their's and our's:
3 Grace be unto you, and peace, from God our Father, and from the Lord Jesus Christ.
4 I thank my God always on your behalf, for the grace of God which is given you by Jesus Christ;
5 That in every thing ye are enriched by him, in all utterance, and in all knowledge;
6 Even as the testimony of Christ was confirmed in you:
7 So that ye come behind in no gift; waiting for the coming of our Lord Jesus Christ:
8 Who shall also confirm you unto the end, that ye may be blameless in the day of our Lord Jesus Christ.
9 God is faithful, by whom ye were called unto the fellowship of his son Jesus Christ our Lord.
10 Now I beseech you, brethren, by the name of our Lord Jesus Christ, that ye all speak the same thing, and that there be no divisions among you; but that ye be perfectly joined together in the same mind and in the same judgment.
11 For it hath been declared unto me of you, my brethren, by them which are of the house of Chloe, that there are contentions among you.
12 Now this I say, that every one of you saith, I am of Paul; and I of Apollos; and I of Cephas; and I of Christ.
13 Is Christ divided? was Paul crucified for you? or were ye baptized in the name of Paul?
14 I thank God that I baptized none of you, but Crispus and Gaius;
15 Lest any should say that I had baptized in mine own name.
16 And I baptized also the household of Stephanas: besides, I know not whether I baptized any other.
17 For Christ sent me not to baptize, but to preach the gospel: not with wisdom of words, lest the cross of Christ should be made of none effect.
18 For the preaching of the cross is to them that perish foolishness; but unto us which are saved it is the power of God.
19 For it is written, I will destroy the wisdom of the wise, and will bring to nothing the understanding of the prudent.
20 Where is the wise? where is the scribe? where is the disputer of this world? hath not God made foolish the wisdom of this world?
21 For after that in the wisdom of God the world by wisdom knew not God, it pleased God by the foolishness of preaching to save them that believe.
22 For the Jews require a sign, and the Greeks seek after wisdom:
23 But we preach Christ crucified, unto the Jews a stumblingblock, and unto the Greeks foolishness;
24 But unto them which are called, both Jews and Greeks, Christ the power of God, and the wisdom of God.
25 Because the foolishness of God is wiser than men; and the weakness of God is stronger than men.
26 For ye see your calling, brethren, how that not many wise men after the flesh, not many mighty, not many noble, are called:
27 But God hath chosen the foolish things of the world to confound the wise; and God hath chosen the weak things of the world to confound the things which are mighty;
28 And base things of the world, and things which are despised, hath God chosen, yea, and things which are not, to bring to nought things that are:
29 That no flesh should glory in his presence.
30 But of him are ye in Christ Jesus, who of God is made unto us wisdom, and righteousness, and sanctification, and redemption:
31 That, according as it is written, He that glorieth, let him glory in the Lord.

1 Korinthiërs 1

1Paulus, een geroepen1) apostel van Jezus Christus, door den wil van God, en Sosthenes2), de broeder,3)
2Aan de Gemeente Gods, die te Korinthe is, den geheiligden5) in Christus Jezus, den geroepenen heiligen, met allen, die den Naam van onzen Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats,7) beide hun en onzen Heere;
3Genade zij u8) en vrede van God onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.
4Ik dank mijn God allen tijd over u, vanwege de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jezus;
5Dat gij in alles rijk zijt geworden in Hem, in alle rede12) en alle kennis;
6Gelijk de getuigenis13) van Christus bevestigd is14) onder u;
7Alzo dat het u aan gene gave15) ontbreekt, verwachtende16) de openbaring van onzen Heere Jezus Christus.
8Welke God u ook zal bevestigen17) tot het einde toe, om onstraffelijk18) te zijn in den dag19) van onzen Heere Jezus Christus.
9God is getrouw,20) door Welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap21) van Zijn Zoon Jezus Christus, onzen Heere.
10Maar ik bid u,22) broeders, door den Naam23) van onzen Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt24), en dat onder u geen scheuringen zijn,25) maar dat gij samengevoegd zijt in een zelfden zin, en in27) een zelfde gevoelen.
11Want mij is van u bekend gemaakt, mijn broeders, door die van het huisgezin van Chloe zijn, dat er twisten onder u zijn.
12En dit zeg ik, dat een iegelijk van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos;30) en ik van Cefas;31) en ik van Christus.32)
13Is Christus33) gedeeld? Is Paulus voor u gekruist? Of zijt gij in Paulus'34) naam gedoopt?
14Ik dank God, dat ik niemand van ulieden gedoopt heb, dan Krispus en Gajus;
15Opdat niet iemand zegge, dat ik in mijn naam gedoopt heb.
16Doch ik heb ook het huisgezin van Stefanus gedoopt; voorts weet ik niet, of ik iemand anders gedoopt heb.
17Want Christus heeft mij niet gezonden35), om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen; niet met wijsheid36) van woorden,37) opdat het kruis van38) Christus niet verijdeld worde.39)
18Want het woord des40) kruises is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid;41) maar ons, die behouden worden, is het een kracht Gods;
19Want er is geschreven: Ik zal de wijsheid der wijzen43) doen vergaan, en het verstand der verstandigen zal Ik te niet maken.
20Waar is de wijze?44) Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker dezer eeuw? Heeft God de wijsheid45) dezer wereld niet dwaas gemaakt?46)
21Want nademaal, in de wijsheid Gods47), de wereld God niet heeft gekend48) door de wijsheid,49) zo heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der50) prediking, zalig te maken, die geloven;
22Overmits de Joden een teken51) begeren, en de Grieken wijsheid zoeken;52)
23Doch wij prediken Christus, den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid;
24Maar hun, die geroepen zijn,55) beiden Joden en Grieken, prediken wij56) Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods.
25Want het dwaze Gods is wijzer dan de mensen; en het zwakke Gods58) is sterker dan de mensen.
26Want gij ziet uw roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vlees,60) niet vele machtigen, niet vele edelen.
27Maar het dwaze der61) wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen;63)
28En het onedele der wereld, en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niets is,64) opdat Hij hetgeen iets is65), te niet zou maken;
29Opdat geen vlees67) zou roemen voor Hem.
30Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing;
31Opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in den68) Heere.