Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: Civilis had also thrown a dam obliquely
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter of Paul to Titus Chapter 3
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 Put them in mind to be subject to principalities and powers, to obey magistrates, to be ready to every good work,
2 To speak evil of no man, to be no brawlers, but gentle, shewing all meekness unto all men.
3 For we ourselves also were sometimes foolish, disobedient, deceived, serving divers lusts and pleasures, living in malice and envy, hateful, and hating one another.
4 But after that the kindness and love of God our Saviour man appeared,
5 Not by works of righteousness which we have done, but according to his mercy he saved us, by the washing of regeneration, and renewing of the Holy Ghost;
6 Which he shed on us abundantly through Jesus Christ our Saviour;
7 That being justified by his grace, we should be made heirs according to the hope of eternal life.
8 This is a faithful saying, and these things I [Note 1] will that thou [Note 2] affirm constantly, that they which have believed in God might be careful to maintain good works. These things are good and profitable unto men.
9 But avoid foolish questions, and genealogies, and contentions, and strivings about the law; for they are unprofitable and vain.
10 A man that is an heretick after the first and second admonition reject;
11 Knowing that he that is such is subverted, and sinneth, being condemned of himself.
12 When I shall send Artemas unto thee, or Tychicus , be diligent to come unto me to Nicopolis: for I have determined there to winter.
13 Bring Zenas the lawyer and Apollos on their journey diligently, that nothing be wanting unto them.
14 And let our's also learn to maintain good works for necessary uses, that they be not unfruitful.
15 All that are with me salute thee. Greet them that love us in the faith. Grace be with you all. Amen.

Note 1: I = Paul
Note 2: thou = Titus

Titus 3

1Vermaan hen1), dat zij2) aan de overheden3) en machten onderdanig zijn, dat zij hun gehoorzaam zijn, dat zij tot alle goed werk4) bereid zijn;
2Dat zij niemand lasteren, geen vechters zijn,5) maar bescheiden zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle mensen.
3Want ook wij waren eertijds onwijs,6) ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende.
4Maar wanneer de goedertierenheid7) van God, onzen Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is,8)
5Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken9) der rechtvaardigheid,10) die wij gedaan hadden,11) maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad12) der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes;
6Denwelken Hij13) over ons rijkelijk heeft uitgegoten14) door Jezus Christus, onzen Zaligmaker;
7Opdat wij, gerechtvaardigd15) zijnde door Zijn genade, erfgenamen zouden worden naar de hope16) des eeuwigen levens.
8Dit is een getrouw woord,17) en deze dingen wil ik, dat gij ernstelijk bevestigt,18) opdat degenen, die aan God geloven, zorg dragen, om goede werken19) voor te staan; deze dingen zijn het, die goed en nuttig zijn20) den mensen.
9Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel.
10Verwerp21) een kettersen mens22) na de eerste23) en tweede vermaning;
11Wetende, dat de zodanige verkeerd is,24) en zondigt,25) zijnde bij zichzelf veroordeeld.
12Als ik Artemas tot u zal zenden, of Tychikus, zo benaarstig u tot mij te komen te Nikopolis;27) want aldaar heb ik28) voorgenomen29) te overwinteren.
13Geleid Zenas, den wetgeleerde,30) en Apollos zorgvuldiglijk,31) opdat hun niets ontbreke.32)
14En dat ook de onzen leren,33) goede werken34) voor te staan tot nodig gebruik,35) opdat zij niet onvruchtbaar zijn.36)
15Die met mij zijn, groeten u allen. Groet ze, die ons liefhebben in het geloof.37) De genade zij met u allen. Amen.38)