Home Introduction Persons Geogr. Sources Events Mijn blog(Nederlands)
Religion Subjects Images Queries Links Contact Do not fly Iberia
This is a non-commercial site. Any revenues from Google ads are used to improve the site.

Custom Search
Quote of the day: He was looked up to with reverence for h
Notes
Display Vulgate text
Display Statenvertaling
The New Testament

Letter to the Hebrews Chapter 1
Next chapter
Return to index
Previous chapter
1 God, who at sundry times and in divers manners spake in time past unto the fathers by the prophets,
2 Hath in these last days spoken unto us by his Son, [Note 1] whom he hath appointed heir of all things, by whom also he made the worlds;
3 Who being the brightness of his glory, and the express image of his person, and upholding all things by the word of his power, when he had by himself purged our sins, sat down on the right hand of the Majesty on high:
4 Being made so much better than the angels, as he hath by inheritance obtained a more excellent name than they.
5 For unto which of the angels said he at any time, Thou art my Son, this day have I begotten thee(1)?
And again, I will be to him a Father, and he shall be to me a Son(2)?
6 And again, when he bringeth in the firstbegotten into the world, he saith, And let all the angels of God worship him.(3)
7 And of the angels he saith, Who maketh his angels spirits, and his ministers a flame of fire(4).
8 But unto the Son he saith, Thy throne, O God, is for ever and ever(5): a sceptre of righteousness is the sceptre of thy kingdom.
9 Thou hast loved righteousness, and hated iniquity; therefore God, even thy God, hath anointed thee with the oil of gladness above thy fellows.
10 And, Thou, Lord, in the beginning hast laid the foundation of the earth; and the heavens are the works of thine hands:
11 They shall perish; but thou remainest; and they all shall wax old as doth a garment;
12 And as a vesture shalt thou fold them up, and they shall be changed: but thou art the same, and thy years shall not fail.
13 But to which of the angels said he at any time, Sit on my right hand, until I make thine enemies thy footstool?
14 Are they not all ministering spirits, sent forth to minister for them who shall be heirs of salvation?

Note 1: Son = Christ
1: Ps 2:7
2: 2 Sam. 7:14
3: Ps. 97:7, Deut. 32:43
4: Ps. 104:4
5: Ps. 44:7af

Hebrëen 1

1God, voortijds2)1) veelmaal en3) op velerlei wijze4), tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste5) dagen tot ons gesproken6) door den Zoon;7)
2Welken Hij gesteld heeft8) tot een Erfgenaam van alles, door Welken Hij ook de wereld9) gemaakt heeft;
3Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel10) Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte11) Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt13) door het woord14) Zijner kracht, nadat Hij15) de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten16) aan de rechter hand der Majesteit in de hoogste hemelen;
4Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij17) uitnemender Naam boven hen geerfd heeft.18)
5Want tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Gij zijt Mijn Zoon,19) heden heb ik u20) gegenereerd?21) En wederom: Ik zal Hem tot een Vader zijn,22) en Hij zal Mij tot een Zoon zijn?
6En als Hij wederom de Eerstgeborene inbrengt in de wereld,23) zegt Hij: En dat alle engelen Gods Hem aanbidden.
7En tot de engelen24) zegt Hij wel: Die Zijn engelen maakt geesten,25) en Zijn dienaars een vlam des vuurs.26)
8Maar tot den Zoon27) zegt Hij: Uw troon, o God,28) is in alle eeuwigheid; de schepter Uws koninkrijks is een rechte schepter.29)
9Gij hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat; daarom heeft U, o God! Uw God30) gezalfd31) met olie der vreugde32) boven Uw medegenoten.33)
10En: Gij, Heere!34) hebt in den beginne35) de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen;
11Dezelve zullen vergaan, maar Gij blijft altijd,36) en zij zullen alle als een kleed verouden;
12En als een dekkleed37) zult Gij ze ineenrollen, en zij zullen veranderd worden;38) maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet ophouden.
13En tot welken der engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten?
14Zijn zij niet allen gedienstige geesten,40) die tot dienst uitgezonden worden,41) om dergenen wil, die de zaligheid beerven zullen?